Simons, Ida 2014

‘Een dwaze maagd’ van Ida Simons

‘Ik wilde bedachtzaam en voorzichtig zijn, als de wijze maagden’
Als gevolg van twee jaar gevangenschap in Westerbork en Theresienstadt moest de Joods-Nederlandse schrijfster, Ida Simons (1911-1960), in de jaren vijftig haar internationale carrière als concertpianiste opgeven. Ze begon een nieuw leven als schrijfster. In 1959 verscheen haar romandebuut ‘Een dwaze maagd’, dat ontvangen werd als een ‘volmaakt meesterwerk’. Een jaar later sterft ze. Uitgeverij Cossee brengt ‘Een dwaze maagd’ weer onder de aandacht. Dat is opmerkelijk want het komt vrijwel nooit voor dat een debuutroman van vijftig jaar oud opnieuw wordt uitgegeven. Simons begint haar verhaal direct met humor: ‘Van jongs af aan was ik eraan gewend mijn vader, ongeveer dagelijks, te horen zeggen, dat hij zijn medemensen ernstig benadeeld had omdat hij niet begrafenisondernemer geworden was. Naar zijn stellige overtuiging zou, onmiddellijk daarna, de bevolking van onze planeet louter uit onsterfelijken hebben bestaan. Hij was een schlemiel en hij wist het; hij had er wel meer zure grapjes over. Doordeweeks konden die niet veel kwaad, maar op hoogtijdagen was zelfs een eenvoudige opmerking als die over de begrafenisonderneming voldoende om een felle twist te doen ontbranden.’ Hoofdpersoon en ik-vertelster is het jonge meisje Gittel. Ze maakt deel uit van een bizarre, maar kleurrijke familie. Gittels vader wordt geen begrafenisondernemer, maar handelaar. ‘Op zon- en feestdagen vochten mijn ouders als kat en hond. Hoewel ze anders redelijk met elkaar overweg konden, liep dat toch nogal op omdat joden met een dubbel aantal feestdagen behept zijn.’ Als er weer ruzie was vertrokken moeder en dochter naar oma in Antwerpen. Gittel maakt er kennis met de  negenentwintig jarige Lucie, dochter van een welgestelde en bevriende bankier, en met de jonge Gabriel. De twaalfjarige Gittel voelt zich direct aangetrokken tot de veel oudere Lucie. ‘Ze had me al dadelijk gezegd haar bij haar naam te noemen en ik rolde die over mijn tong als een lekkernij. De grote bekoring die voor mij van haar uitging was voor een belangrijk deel daarin gelegen, dat ze heel anders was dan alle vrouwen die ik kende. Ze sprak weinig, lachte niet veel en ze was volkomen zelfverzekerd.’ Ze worden vriendinnen en Gittel mag bij Lucie thuis pianospelen. Haar grote passie, ze wil later pianiste worden. Met Lucie’s vader heeft ze ook een goede band, die helaas onder grote druk komt te staan. Er spelen een bonte stoet personages om Gittel heen. Zo is er een oom Wally en een oom Salomon, bizarre figuren die Simons raak portretteert. Er wordt veel verhuisd tussen Den Haag en Antwerpen en ze wonen ook kort in Berlijn waar Gittels vader veel geld hoopt te verdienen. Tussen al die onrust probeert Gittel haar weg te vinden en volwassen te worden. En dat gaat met het bekende vallen en opstaan. Ze krijgt een fikse dreun te incasseren als Lucie verliefd wordt op Gabriel en haar buitensluit. Later spant Lucie Gittel voor haar karretje om, tegen haar vaders zin, met Gabriel in Engeland te kunnen trouwen. Als die merkt dat Gittel Lucie heeft geholpen is hij razend en wil Gittel nooit meer zien. Toch komt ze over de schok heen, al is haar vertrouwen in Lucie en haar vader geschonden, en doet ze haar uiterste best om de ongrijpbare wereld der volwassen te doorgronden en zich erin thuis te voelen. Ze wil geen dwaze maagd, maar een wijze worden (de dwaze maagden vergaten olie in hun lampjes te gieten, volgens een gelijkenis in de Bijbel). ‘Ik wilde bedachtzaam en voorzichtig zijn, als de wijze maagden’, schrijft Simons, die haar verhaal, met al die vogels van diverse pluimage, ongekunsteld, geestig en spontaan, met veel verve inkleurt. Als stralend middelpunt karakteriseert ze de argeloze Gittel die het maar moet zien te rooien in die onrustige omgeving waarin ze opgroeit. Op zoek als ze is naar veiligheid. Simons weet zich goed in te leven in het meisje: ze zal veel op haar geleken hebben.

Ellen de Jong   2014