Enquist, Per Olov 2014

'Het boek der gelijkenissen’ van Per Olov Enquist: Een liefdesroman die zijn gelijke niet kent

In ‘Het boek der gelijkenissen’ met als ondertitel ‘Een liefdesroman’, van Per Olov Enquist, uitgave Anthos, vertaling Cora Polet, kijkt een 77-jarige man terug op zijn leven. De ‘hij’ figuur is een jongen die opgroeit in een streng orthodoxe boerengemeenschap in het noorden van Zweden. Zijn diepgelovige moeder voedt hem alleen op als zijn vader Elof overlijdt. Hij is dan pas een paar maanden oud. In ‘De gelijkenis van de teruggevonden blocnote’ beschrijft Enquist dat de vader van de jongen een blocnote heeft nagelaten, die hij, 66 jaar later, door een nicht van hem krijgt toegestuurd. Zijn moeder vond indertijd die blocnote met liefdesgedichten die haar man aan haar gericht had. Ze vond ze vies en zelfs heidens en verbrandde ze in de ijzeren kachel: ‘opdat de gedichten van haar man Elof voorgoed door het nietsontziende maar reinigende vuur verteerd zouden worden.’  Maar ze kreeg er toch spijt van en schrijft Enquist: ‘Ze had in het vuur gestaard en er haar hand in gestoken, een blote hand, om het nu brandende schriftje te grijpen, en ze had de blocnote ondanks de stekende pijn gered van de vernietiging.’ De jongen gaat de verzen lezen om ‘zijn weg naar de waarheid te vinden […].’ Er blijken negen uitgescheurde bladzijden te zijn. Waarom heeft zijn moeder dat gedaan? En wat bezielde zijn vader? Hij zal zijn leven lang die vader trachten op te roepen: ’Hij zou die negen bladzijden nooit kunnen herschrijven. Ze waren het raadsel in zijn leven en dat van zijn vader.’ Een literair hoogstandje, qua vorm en inhoud, in Enquists boek is ‘De gelijkenis van de vrouw op de kwastvrije grenenvloer’. Op een mooie zomerdag in juli 1949 wordt de jongen, vijftien jaar oud, door Ellen, een eenenvijftig jarige vrouw uit Stockholm, verleid. Ze huurde een boerderijtje van een oom van hem. Ze wijdt hem in de liefde in en bedrijven die stap voor stap op de ‘kwastvrije grenenvloer’. (Hoe verzint Enquist het!)  En hoe prachtig verwoordt hij het volgende: ‘het was vooral haar lichaam op de houten vloer, dat was als iets uit het Hooglied, maar zonder het opdringerige van de psalmdichter; de houten vloer was van kwastvrij grenenhout, dat zeer glanzend en gepolitoerd was door vele eeuwen van voetstappen, net als de twee naakte mensen liggend op eiderdons.’ Na het moment suprême begreep hij ’wat hij al eerder had vermoed: in feite was dit de zin van het leven. Hij was tot het geloof gekomen. Dit was het leven.’ En: ‘Hij had later de seksualiteit, altijd, beschouwd als het openen van de binnenste deur naar iemand anders.’ Enquists roman, met een autobiografische achtergrond, staat bol van mijmeringen over het verleden (de jongen werd man, trouwt drie maal en raakt verslaafd aan alcohol), over zondebesef en schuldgevoel, de dood en de liefde en over het schrijven an sich. Hij springt voortdurend van het een op het ander: van een gek geworden grootmoeder die in drie maanden tijd zes kinderen verloor tot een verhaal over een grootvader die met een kruisvos een bonttentoonstelling in Stockholm bezocht. De lezer moet wel van goeden huize komen om Enquists omtrekkende bewegingen, met veel cursiveringen, te kunnen volgen en de lijn in zijn verhaal vast te houden. Hij roept zichzelf dan ook vaak een halt toe (‘genoeg hierover’), als hij te lang uitweidt over een bepaald onderwerp. Kern van zijn roman is toch de ontmoeting van de jongen met de onbekende Ellen die hem zijn leven lang niet meer zal loslaten. Hij ziet haar nog drie keer terug en als ze op 79-jarige leeftijd sterft, gaat hij naar haar begrafenis. Hij heeft intussen een paar romans geschreven, maar geen liefdesroman. Dat kon hij niet. Maar Ellen geloofde dat hij het wel kon als hij zijn verbeeldingskracht maar had gebruikt. Enquist zelf heeft dat wel gedaan met als resultaat: een liefdesroman die zijn gelijke niet kent.

Ellen de Jong   2014