Rodoreda, Mercè 2014

‘In de Cameliastraat’: verrassende gelaagde roman van Mercè Rodoreda

 ‘Ik ben achtergelaten in de Cameliastraat, onder aan een tuinhek, en de nachtwaker vond me ’s ochtends vroeg. De meneer en mevrouw van dat huis wilden me hebben, maar het schijnt dat ze op dat moment nog niet wisten wat te doen: me houden of aan de nonnen geven. Toen ik lachte werden ze verliefd op me, en omdat ze al oud waren en geen kinderen hadden, namen ze me op.’

Zo begint ‘In de Cameliastraat’ van de Catalaanse schrijfster Mercè Rodoreda, Menken Kasander& Wigman Uitgevers, vertaling en nawoord van Frans Oosterholt. Aan het woord is Cecília, een jonge vrouw die als baby van een paar maanden oud haar entree maakt in het huis van meneer Jaume en mevrouw Magdalena in Barcelona. Op de borst van de baby was een briefje vastgemaakt met een veiligheidsspeld. Met potlood was haar naam erop geschreven: Cecília Ce. ‘dat betekende dat de persoon die mijn naam had geschreven hem niet had kunnen afmaken, want je kon zien dat Ce geschreven was met trillende hand, dat die persoon onder het schrijven in snikken was uitgebarsten.’ Cecília heeft er al vroeg een handje van om weg te lopen en haar vader te zoeken van wie ze denkt dat hij musicus is. Als ze de straatjongen Eusebio ontmoet keert ze niet meer terug naar huis en gaat in een krottenwijk wonen. Al snel gaat het mis tussen haar en Eusebio en omarmt ze Andrés. Om de kost te verdienen naait ze overhemden. Wat ze haat. Op een avond ‘sleepte ik de machine zonder aarzelen het krot uit, ik pakte mijn tasje en ging naar de Rambla om te tippelen.’ Inmiddels is haar verhouding met Andrés ook voorbij. Ze blijkt zwanger en laat zich aborteren. Raakt aan lager wal en slijt haar dagen zwervend door de straten van Barcelona terwijl ze af en toe een café bezoekt. Als Marc haar pad kruist begint de ellende pas goed. Hij slaat haar in elkaar en laat haar bewusteloos achter op straat toen hij er achter kwam dat ze af en toe steun zocht bij een generaal (die ze in het café met de varens ontmoette en met wie ze later ook een relatie krijgt die eveneens stukloopt). Ze werd gered door een non en vervolgens uitgeput in een kliniek opgenomen waar ze een zware miskraam bleek te hebben gehad. Ze krabbelt weer op en ontmoet opnieuw een paar mannen waaronder een, getrouwde, waar ze een verhouding mee krijgt, en die een appartement voor haar koopt. Maar ook die houdt geen stand. Tenslotte keert Cecília terug naar de nachtwaker die ze na veel zoeken opspoort. Híj had haar tenslotte ooit gevonden in de Cameliastraat. Hij is oud en versleten maar herinnert zich nog genoeg: ‘Hij zei dat hij me mijn naam had gegeven.’ Tegen zijn vrouw zei de nachtwaker: ‘dat hij een klein meisje had gevonden. En zij vroeg, waar? En hij zei, in de Cameliastraat, in het midden van de straat, onder aan een tuinhek met allemaal camelia’s. Zijn vrouw leek het niet te willen geloven en hij moest het nog een keer zeggen, heel langzaam, dat hij vroeg in de ochtend, bij wat camelia’s, een klein meisje had gevonden, net een katje, dat Cecília zou heten.’ Wat een subtiel en doordacht taalgebruik en een openhartige stijl. En wat een rijkdom aan wonderschone beelden! Rodoreda laat Cecília voor ons leven en geeft een kijkje in haar vrijgevochten en ongedurige karakter waar geen vat op te krijgen is. Met relaties die altijd ongelukkig aflopen om het even met wie ze zich, vooral in het begin, innig verbindt. In het nawoord van Oosterholt lezen we dat Rodoreda een belangrijke Catalaanse schrijfster is met een rijk oeuvre dat diverse romans en verhalenbundels telt. Ze was autodidact en zat maar een paar jaar op school. Ze trouwde toen ze twintig was met haar veertien jaar oudere oom en krijgt een zoon. Ze scheidde en wijdde zich aan het schrijven en had een affaire met een getrouwde man. Ze ontvlucht Barcelona aan het einde van de Spaanse Burgeroorlog en gaat naar Frankrijk en later publiceerde ze haar alom geprezen roman ‘Colometa’ (1962). En vier jaar later ‘In de Cameliastraat’. Volgens Oosterholt een ‘verrassende gelaagde roman, rijk aan illusies en symbolen: bloemen, kleuren, kruisen, spiegels, engelen, vlammen, ellebogen, voeten, et cetera; maar ze zijn zo onnadrukkelijk in de tekst verweven dat ze amper opvallen, laat staan het leesproces stremmen van de minder ingevoerde lezer.’ Helemaal mee eens!

Ellen de Jong     2014