Siebelink, Jan 2014

‘De blauwe nacht’, nieuwe roman van Siebelink: portret van een man vol tegenstrijdigheden

Het Parijs van de jaren zestig. Een onrustige tijd vol aanslagen. Tegen deze achtergrond speelt zich het leven van Simon Aardewijn, man van middelbare leeftijd, af. Hoofdfiguur in Jan Siebelinks roman ‘De blauwe nacht’. Uitgave De Bezige Bij. Hij is getrouwd met Martha en heeft een dochter, Elsa. Ze wonen in Médan, het oude huis van Émile Zola. Siebelink vertaalde in 1976 het boek Á rebours van de Franse auteur J. KL. Huysmans. Zijn lijfboek dat decadentie als onderwerp heeft. Simon wil erop promoveren. Hij heeft zo zijn vaste studie uren, maar zit ook vaak op terrassen. Als hij op een mooie dag op het terras van Le Bonaparte zit te lezen valt hem een vrouw op die ook leest. De vonk slaat over als er om een vuurtje voor een sigaret wordt gevraagd. Ze heet Judith en ze maken een afspraak. Tegelijkertijd wordt er een bom gegooid. Simon krijgt al snel een heftige relatie met de mysterieuze Judith. Hij raakt geobsedeerd door haar, maar zij krijgt genoeg van hem al zegt ze in het begin: ‘Bij jou voelde ik me direct thuis. Jij hebt weet van het Oneindige. In jou is het verlangen naar het Andere. Ik voel het.’ Simon zoekt troost bij hoeren zoals bij de voluptueuze Gabriela die hem op zijn wenken bedient. Als hij een ander ontmoet constateert hij: ‘Ik heb vrede met mezelf, ik voel me een kloosterling alleen in zijn cel, een nergensman, die overal en nergens thuis is, maar wel te midden van grote mysteries. Hier kon hij vanavond weer mooi boven zichzelf uitstijgen.’ Hij flirt tevens met Emmy, de vrouw van Rein, zijn promotor, en zij met hem. Als ze hem teveel op zijn huid zit, laat hij Elsa, zijn geliefde dochter, die hij op een niet normale manier aanbidt, de afspraak die hij met Emmy op Gare du Nord had, afzeggen. Laf, maar zo zit Simon nu eenmaal in elkaar. Hij heeft wel schuldgevoelens, op zijn zwaar gereformeerde jeugd wordt ook nu weer gezinspeeld, maar die worden overspoeld door zijn lustgevoelens en zijn streven naar absolute vrijheid vooral ook op het gebied van de seksualiteit die bij tijd en wijle pervers genoemd mag worden. Aan de orde komt ook het vier jarige meisje Delphine dat tijdens een aanslag zwaar gewond raakte. Haar lot trekt Simon zich zwaar aan, bijna té. Ook neemt hij een berooide Algerijnse jongen in bescherming die door de politie aangehouden wordt. Hij gaat hem les geven in de Franse taal en koestert hem. Het doet Simon goed hem zo van dienst te kunnen zijn, maar zijn gevoelens zijn meer dan vaderlijke. Siebelink neemt de lezer mee naar diverse Franse cafés, brasseries en restaurants die een literaire geschiedenis hebben: Le Bonaparte, De Flore, Lipp. Siem rookt er vaak in gezelschap van dochter Elisa, minnares Judith, zijn ettelijke Gauloises en drinkt er heel wat flessen wijn. Hij beschrijft die typische Franse sfeer heel beeldend en boeiend, je zou er wel even willen vertoeven, op die levendige historische plekken. Naarmate ‘De blauwe nacht’ vordert krijgt Simon, dankzij Siebelinks vaak geroemde portretteerkunst, als persoon steeds meer reliëf: een narcistische womanizer, een rusteloze man op drift, zelden in evenwicht. Heen en weer geslingerd tussen zijn veilig thuis bij Martha, ‘de enige met wie hij in een huis kon samenwonen, bij wie hij zich op zijn gemak voelde, wier gezicht hem nooit verveelde,’ en zijn lustgevoelens voor het vrouwelijke geslacht. Maar tevens een man die met de dood bezig is en rust zoekt in van zijn leven. Of hij die vindt tijdens een sneeuwnacht vol koortsachtige denkbeelden? Je zou zeggen van wel, als je Siebelinks laatste regels leest: ‘Een grote rust overviel hem. Hij had er vaak naar verlangd. Simon begreep. Als de grote profeet Elia – o, ruiteren Israëls – werd hij opgenomen en meegevoerd. Simon aardewijn zou de dood niet zien.’  

Ellen de Jong    2014