Koch, Herman 2014 - 2

Kochs nieuwe boek ‘Geachte heer M.’: opnieuw van grote klasse

In ‘Geachte heer M.’, het nieuwe boek van Herman Koch, uitgegeven als Dwarsligger in samenwerking met Ambo/Anthos uitgevers, gaat het om een bekende schrijver M. die op zijn retour is. Hij heeft dertig jaar geleden de bestseller ‘Afrekening’ geschreven, gebaseerd op een waar gebeurd verhaal over een nooit opgehelderde verdwijning: Van Jan Landzaat, leraar geschiedenis aan het Spinoza Lyceum in Amsterdam. Hij is een populaire docent maar er is wel een steekje aan hem los. Hij is getrouwd, heeft twee dochtertjes maar wordt hevig verliefd op Laura, een leerling van hem. Het is een zeldzaam mooi tiener meisje dat ingaat op Landzaats hofmakerij. Ze krijgen een verhouding die zij na korte tijd verbreekt en met een nieuw vriendje, Herman, in zee gaat. Landzaat kan het niet verkroppen dat Laura hem heeft laten vallen voor die puberjongen met zijn rare tanden en dunne lijf. Hij stalkt haar onophoudelijk. Laura’s ouders hebben een vakantiehuisje in Terhofstede, Zeeuws-Vlaanderen. Zij brengt er met Herman de kerstvakantie door. Op tweede kerstdag staat Landzaat voor de deur. Hij wil het goedmaken met Laura en haar ervan overtuigen dat hij haar niet meer zal achtervolgen. Herman en zij willen dat hij vertrekt. Maar Landzaats auto doet het niet, vreemd is dat wel, al sneeuwt het hard. Hoe wordt dat euvel verholpen? Dat is de vraag, vaststaat dat Landzaat in het niets verdwijnt en Herman hem voor het laatst heeft gezien. Landzaats lichaam wordt nooit gevonden. M. beschuldigt in zijn boek Laura en Herman, zij hebben hem omgebracht. Maar is dat de waarheid? Of is het ‘losjes op de feiten’ gebaseerd? M. heeft een jonge, knappe vrouw en een dochtertje. Èn een onderbuurman die een en ander wil rechtzetten met M.’s ‘Afrekening’. Hij heeft ‘bepaalde plannen’ met M. het blijkt dat tiener Herman nu de onderbuurman is….Knap bedacht. Al lezend met rode oortjes, want het is direct al spannend, volgen we zijn verhaal dat hij, ook nu weer met zijn scherpe blik, filmisch in beeld brengt. Hij laat ons onder meer kennis maken met de buurman van de schrijver, en zijn beweegredenen, en met de twee middelbare scholieren en hun onderlinge verhouding , waarbij Koch zijn afkeer van die scholen plus de leraren, grondig lucht. Ook zijn ongenoegen over het jaarlijkse Boekenbal steekt hij niet onder stoelen of banken: ‘Een feest wordt het in elk geval nooit.’ En op ‘toespraken zat niemand te wachten. Die werden gehouden door grijze mannen in pakken die van tevoren aankondigden het ‘niet te lang’ te zullen maken.’ Over consumptiebonnen heeft Koch bij monde van M. ook een duidelijke mening: ‘In Nederland zijn het nooit meer dan twee. Waar je ook komt, in een bibliotheek, een literair café, overal krijg je een envelop overhandigd met daarin het op een A4’tje geprinte programma en de twee consumptiebonnen. Als de bonnen op zijn is het ook echt over en uit.’ Naarmate de roman vordert en Koch de spanning opvoert, komen we meer te weten over de verdwijningzaak en het leven dat M. met zijn vrouw en dochtertje leidt. Een leven dat uit schrijven bestaat. En uit denken. Praten doet hij niet veel tegen vrouw en kind. Koch zelf zegt in een interview (NRC Handelsblad 10, 11, mei 2014) dat hij twee uur per dag schrijft, ‘in de keuken of liggend op de bank. Ik ben, denk ik, de minst lastige schrijver om mee in huis te wonen.’ Daar zal de vrouw van de heer M. het beslist niet mee eens zijn! Koch heeft een fonkelend geslepen boek geschreven, geraffineerd in elkaar gezet, complex dat wel. Echt Koch.

Ellen de Jong   2014