Mortier, Erwin 2014

‘De spiegelingen van Erwin Mortier’. ‘Ik weet alleen dat het leven me nooit zal passen’

In 2008 verscheen van Erwin Mortier ‘Godenslaap’ waarmee hij bekend werd bij het grote publiek en waarvoor hij de AKO Literatuurprijs 2009 kreeg. De hoog bejaarde Helena Dumont blikt in dat meesterwerk terug op haar leven. In ‘De spiegelingen’, uitgave De Bezige Bij, dat recent van Mortier verscheen is het Helena’s broer Edgard die dat eveneens doet. Hij is homoseksueel en raakt zwaar gewond in de Eerste Wereldoorlog. Hij belandt in het hospitaal: ‘Ik voel de pijn tot in mijn rugwervels knarsen. Het gekerm dat tegen de zoldering weerkaatst en de anderen irriteert is het mijne [….].’ Maar ook: ‘De geur van hospitalen troost me. Jezelf omwikkeld te weten met de lucht van ether, zeep, schoon linnen, het blijft een kalm geluk in me oproepen. Voor mij mag de hemel een ziekenzaal zijn. We kunnen er herstellen van de onduidelijke kwaal van ons bestaan.’ Edgard keert weer terug in de wereld, kreupel en wel. Hij zoekt troost in de armen van minnaars om zijn zwaarmoedigheid en aangeboren weemoed te verzachten. Zijn grote liefde is de Engelse oorlogsfotograaf Matthew, evenals hij dat is van Edgards zuster Helena. Die overigens wel vermoedde dat haar broer dodelijk verliefd was op haar man. In zijn boek beschrijft taalvirtuoos Mortier Edgards leven dat gevuld is met seksuele genoegens. Hij windt er geen doekjes om en wijdt er ettelijke passages aan.  Deze bijvoorbeeld: ‘Ik denk aan de tere huid in je okselholte, het haar dat zich daar verbergt en dat je zware muskuslucht in zich gebald houdt, en hoe regelmatig het groeit, alsof het gekamd werd, net als het haar in je hals en het nest van krullen dat je ballen omvat. En telkens weer, met ieder ander lichaam dat zich in het mijne vlijt, ervaar ik hoe het van het jouwe verschilt. Ik voel hoe het zich onwennig in mijn schouders schikt, hoe ikzelf er op andere wijzen tegenaan schuur, me erin nestel, buik aan buik, rug aan buik, buik aan rug, op zoek naar mijn mal, mijn gietvorm. Al die kleine vervreemdingen, steeds weer dat verdwalen in de afstand tussen andere lichamen en het jouwe, het is me vertrouwd geworden.’ Maar Edgards liefde voor Matthew, die wederzijds is al houdt Matthew ook van Helena, sijpelt door het hele boek heen en blijft overeind tot het laatst toe al biedt die geen soelaas en heeft die een tragisch verloop. ‘Ik hield van hem. Ik heb nooit iets anders van hem verlangd dan in zijn armen weer mens te mogen worden, en die onnoemelijke genade heeft hij me geschonken.’ Ook de eenzaamheid van Edgards puberteitsjaren komt aan de orde: ‘Ze brengt me aan het huilen. De eenzaamheid van de jeugd raakt aan die van de ouderdom. De eerste is nog onbeschreven, de tweede getekend door het spijkerschrift van het verlies.’  Al passeren de troostrijke lichamen van onder meer Heinz, Duits soldaat uit Berlijn, Paul, een jonge kunstschilder die hij ontmoet tijdens de Tweede Wereldoorlog, Pierre, makker uit de loopgraven en de blinde Japanner Noburu, de revue, toch is er ‘geen hoop, ik weet niet wat of wie ik ben in dit leven. Ik weet alleen dat het leven me nooit zal passen, nooit als gegoten zal zitten. En: ‘Ik hoef geen hiernamaals. Laat me voortbestaan als de gewaarwording van je jukbeenderen en je wangen op mijn handen, of je lippen onder mijn pink. Verzoening, eindelijk verzoening.’
Mortiers bespiegelingen zijn een schitterend verhaal op zich. Gegoten in een uitzonderlijke stijl waarbij hij van elke zin een poëtisch kleinood maakt.

Ellen de Jong   2014