Zwaan, Josha 2014

‘Zeevonk’ van Josha Zwaan: innige band tussen vrouw en schip

Na haar succesvolle debuut ‘Parnassia’, publiceerde Josha Zwaan ‘Zeevonk’. Uitgave Artemis & co. Een schip dat echt bestaan heeft krijgt een eigen stem in Zwaans roman. Het is de Willem Ruys, een schip  met een ongelukkige levensloop. Na vele jaren trouw dienst gedaan te hebben wordt het verkocht aan een Italiaanse reder en krijgt het de naam: Achille Lauro. Het schip is niet blij met zijn verbouwing en ook niet met het feit dat het nu moet gaan cruisen. Het zal nog een paar branden en een kaping meemaken. Gelukkig voor Achille Lauro is dat er een vrouw, Freya, regelmatig meevaart. Om háár en het schip draait de roman. Zwaan laat het schip niet alleen zijn eigen, ongelukkige, geschiedenis vertellen maar ook die van Freya’s droevige levensloop. Om te beginnen is ze een kind van getraumatiseerde ouders. Haar moeder heeft met haar het jappenkamp overleefd maar spreekt nooit over het verleden. Haar vader die onder meer aan de Birma spoorweg moest werken voegt zich later bij haar en haar moeder maar kwam de verschrikkingen van de oorlog nooit meer te boven. Hij was een andere man geworden en sterft kort na zijn terugkeer in Nederland. Freya krijgt te weinig aandacht van haar ouders, laat staan liefde. Ze besluit om naar Nieuw-Zeeland te gaan. De Nederlander Herman heeft er een bestaan opgebouwd en zoekt een bruid. Freya gaat er grif op in. Ze krijgen een zoon, Volkert, en dan blijkt dat ze niet in staat is haar kind liefde te geven. Ze is een afwezige moeder, wat ze niet gekregen heeft kan ze ook niet geven. Herman daarentegen is een geboren vader en overlaadt zijn zoon met liefde. Hun huwelijk is niet gelukkig, hij is een gesloten man die haar weinig warmte geeft. Die ze wèl bij David, haar pianoleraar, vindt. Ze krijgen een verhouding. Op de terugreis naar Nederland beslist Herman, die van haar affaire met David af weet, dat ze maar met David in zee! moet gaan. Zonder enig overleg zegt hij dat hij met Volkert teruggaat naar Nieuw-Zeeland. Freya staat voor een voldongen feit. Ook al is ze hartstochtelijk verliefd op David treft Hermans beslissing haar diep en al is ze geen goede moeder wil ze toch haar zoon niet verlaten. Maar ze moet en vertrekt met David naar Amsterdam. Hun verhouding strandt. Ze besluit daarna, gedesillusioneerd als ze is, te boeken voor een cruise op de Achille Lauro. Ze verlangt naar ‘de weidsheid van de oceaan, naar het gevoel van geborgenheid […].’ Ze brengt een nacht door met een aanbidder maar meer ook niet. Ze wil zich niet binden en het boezemt haar angst in om zich door iemand te laten kennen. Na vijftien jaar keert Freya terug naar Herman en Volkert. Ze vindt hem niet meer de koele man van vroeger en Volkert blijkt net als zij, muzikaal te zijn en dat schept, weliswaar pas later, een band. Ze vermoedt dat Herman intussen een vriendin heeft daar hij zo veranderd is, maar ze vraagt hem er niet naar en keert terug naar Nederland en bezoekt haar moeder weer. Die naarmate ze ouder wordt steeds meer loslaat over haar leven in de jappenkampen. Hoe meer ze tegen het einde van het boek vertelt, hoe meer Freya haar gaat begrijpen. En vooral ook haar vader die haar, volgens haar moeder, per se Freya wilde noemen, naar de godin van de schoonheid en de liefde. Na de plotselinge dood van Volkert verlangt ze naar de veiligheid van het schip en de zee die haar troost. Ze besluit als verpleegster mee te gaan varen om patiënten te begeleiden. Later wordt ze zelf ziek en gaat ze nog een keer mee: ‘Ze zou niet meer naar Nieuw-Zeeland reizen, maar een laatste tocht op het grote blauwe schip zou nog wel te realiseren zijn. Het schip was de enige plek op aarde waar ze zich niet schuldig voelde, niemand kende haar daar, ze was niet de moeder die haar kind verlaten had, niet het mislukte pianotalent, niet de angstige doelloze Freya van aan de wal, niet de dochter van een vader van wie ze gedacht had dat hij haar niet de moeite waard gevonden had om voor te blijven leven.’ En het schip overdacht: ‘De komst van Freya riep eenzelfde gevoel van onherroepelijkheid op. Deze keer had ze niemand om te verzorgen, eerder leek ze zelf een patiënt, maar wie weet dacht ze hetzelfde over mij.’ Zwaan schrijft tegen het einde van haar knap opgebouwde verhaal: ‘Tenslotte had ze zich op het schip verscholen, de eerste plek waar ze zich ooit veilig had gevoeld. De reling was het kawat, ze had het kamp nooit verlaten.’ (De verklarende woordenlijst achter in het boek bevat vertalingen van Indonesische woorden. Kawat betekent: prikkeldraad). Wat een fantastisch idee van Zwaan om de droevige geschiedenis van het schip samen te laten lopen met die van Freya en hoe ontroerend schetst ze de innige band tussen de vrouw en het schip: een vonk die oversprong, dezelfde als die tussen mij en, het van begin tot eind fascinerende boek.

Ellen de Jong  2014