De Raat, Friederike 2014

Friederike de Raat stelt taalfouten en taalveranderingen aan de kaak in: ‘Geen hond die ernaar kraait & andere onuitroeibare taalfouten’

‘Waarom heeft ‘bladblazen’ geen voltooid deelwoord en ‘stofzuigen’ wel? Wat is het verkleinwoord van ‘baguette’? Waarom krijgt ‘reis’ een -z in het meervoud en ‘paus’ een -s? Waarom schrijven we wollendeken, maar jutezak? En waarom zijn oudekaaskroketten lekkerder dan oude kaaskroketten?’ In ‘Geen hond die ernaar kraait & en andere onuitroeibare taalfouten’, uitgave Nieuw Amsterdam, komen allerlei taalfouten aan de orde èn taalveranderingen. ‘Net zomin als in mijn vorige boek, Hoe bereidt je een paard & andere onuitroeibare taalfouten, is dit een spellingwijzer of grammaticaboek, noch een boek vol lachwekkende taalfouten. Het is een naslagwerkje met veelvoorkomende taalkwesties die ik als eindredacteur regelmatig tegenkom’, aldus Friederike de Raat in haar voorwoord. En het ‘is bedoeld voor mensen die graag willen weten hoe het ook alweer zit met bepaalde taalkwesties, voor mensen die graag goed Nederlands spreken en schrijven [ …]’ Voor liefhebbers heeft De Raat een hoofdstuk met fijne dicteewoorden opgenomen. Haar ‘slimme spoedcursus op zakformaat’, is geen saai betoog over de haken en ogen van onze Nederlandse taal. Integendeel, ze lardeert - duidelijk en helder - haar uiteenzettingen met spelletjes, grapjes en opdrachten. Er zijn in onze moedertaal veel regels waar je je aan dient te houden, maar er zijn even zo vele uitzonderingen. Een voorbeeld: In het hoofdstuk ‘Reizen en zeisen’ wordt onder meer de volgende vraag gesteld: ‘Waarom is het laars-laarzen en niet kaars-kaarzen, maar kaarsen? De Raat vermeldt hierbij de regels, de vele uitzonderingen en nog meer uitzonderingen. Haar advies als je het niet meer weet: ‘gewoon opzoeken of uit je hoofd leren, er zit helaas niets anders op.’Wat je vooral niet moet doen is: het plaatsen van ‘een spatie in een samengesteld woord. Een goed voorbeeld daarvan is lange afstandsloper en langeafstandsloper. In het eerste geval is de loper lang, in het tweede de afstand.’ Ze geeft ook een paar voorbeelden van scabreuze vergissingen: een ervan komt van ‘een redacteur van dagblad De Gelderlander’, schrijft De Raat, ‘die mij vertelde over een conflict tussen zijn buren en een gemeenteambtenaar, een man met een vlassig baardje. Op enig moment moest de ambtenaar bekennen dat hij een fout had gemaakt en zei: ‘Het schaamhaar staat mij op de kaken.’’ Over het oprukkend Engels legt ze uit hoe het komt ‘dat we zoveel Engels door vooral onze spreektaal heen gooien.’ Het is een leerzaam werkje met raadgevingen die je niet in de wind moet slaan als je tenminste  bij diegenen wil horen die het ABN hoog in hun vaandel hebben. In het nawoord verantwoordt ze zich: ‘Dit boek is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Uit ervaring weet ik echter dat er één of meer fouten in staan.’ Ik was er op gebrand een fout te ontdekken, kon er echter op geen één de vinger leggen. Maar ja, wie ben ik?

Ellen de Jong    2014