Smit, Susan 2014 - Vloed

Met de roman ‘Vloed’ brak Susan Smit door bij het grote publiek: ‘Alle wel en wee is eb en vloed’


Het levensverhaal van de grootmoeder van Susan Smit, Adriana van Konijnenburg, die rond de eeuwwisseling in Noordwijk woonde, inspireerde Smit tot het schrijven van haar op historische feiten gebaseerde roman ‘Vloed’. Uitgave Lebowski Publishers. Adriana’s vader is welgesteld, hij is reder en runt een hotel. ‘Ik ben geboren in badhotel Konijnen burg, dat enkel door een zandpad en het strand gescheiden is van de zee.’ Op haar vierentwintigste krijgt Adriana haar eerste huwelijksaan-zoek. Ze weigert, terwijl dat zeer welkom zou zijn in de familie die behalve een paar broers nog drie zussen telde waarvan er twee nog geen echtgenoot gevonden hadden.  Smit schrijft: ‘De spoeling was dun. Hier in Noordwijk, en in de wijde omtrek, woonden louter vissers en boeren – ongeschikt voor meisjes met een adellijke grootvader en een vooraanstaande vader die eigenaar was van een hotel, een vloot en enkel tavernes.’ Adriana wil haar hart volgen als het om de liefde gaat en ze wil schrijven evenals Henriëtte Roland Holst, haar grote voorbeeld. ‘Zonder verhaal staat de werkelijkheid krachteloos, betekent ze niets, is ze onbegrijpelijk en ongrijpbaar. Dus waarom zou ik me niet richten op de verhalen en ze aanzien voor wat ze zijn?’ En: ‘Mijn liefde voor het woord bestond vanaf het moment dat ik kon lezen.’ Toch komt er weinig van al meent ze dat er een schrijfster in haar verborgen zit.  Haar moeder, die in het gezin de toon zette, moet niets van Adriana’s schrijverij hebben, ze keurt het zelfs scherp af, haar vader begrijpt het. ‘Met mijn vader deelde ik de liefde voor de raakheid van het woord, voor omkeringen, overdrijvingen. Mijn moeder kon zich daar geweldig aan storen.’ In het gezin voelt Adriana zich een buitenstaander omdat ze zo anders was dan zij ‘die een eigen gezinsleven koesterden en ik die elke gedachte aan een huwelijk uit de weg ging. Mijn manier om te ontsnappen’, schrijft Smit, ‘aan dat benauwde vooruitzicht en de muilkorf af te werpen, was lezen en schrijven. Beide waren geaccepteerd als vrouwelijk tijdverdrijf, maar niet in de mate waarin ik me eraan overgaf.’ Tot ze hevig verliefd wordt op Jacob, een visser. Adriana’s eigen wereld met ‘kamerconcerten, beleefde tafelconversaties en borduursessies was volslagen oninteressant’ voor haar geworden. ‘Ik wilde me op de modderige grond begeven, tussen de mensen, aan zijn zijde. Ik wilde weten hoe het was om onbeschermd en onbeschaafd te zijn. Het leek me een lichter, vrijer bestaan.’ Toch werkt deze liefde niet, hoe innig ze ook samen zijn. Jacob neemt afstand van haar, hij wil haar niet betrekken bij zijn leven, het standsverschil is te groot. Adriana is ontroostbaar, maar binnen korte tijd stort ze zich in de armen van Hendrik, een ober die ze wel aantrekkelijk vindt. Hij is de bastaardzoon van Willem III. Hun verhouding is vooral seksueel getint en mist ‘een versmel-ting van gevoel.’ Adriana ontdekt al snel dat ze zwanger is. Ze moeten trouwen en dan is het hek van de dam. Haar vader is intussen overleden, haar moeder is razend, zet haar uit huis en onterft haar. Ze verhuist met Hendrik naar Meppel waar ze moet wennen aan een leven in armoede. Ze mist Noordwijk met het strand en de zee en haar leven daar. Maar ze probeert van het echtelijk leven wat te maken hoewel Hendrik zich al snel van een andere kant laat zien. Ze krijgen drie kinderen achter elkaar en tegen haar verwachting in geniet ze van het moederschap. Haar moeder weigert nog steeds elk contact met haar en als ze doodgaat mag ze niet naar haar begrafenis komen. Naar verloop van tijd gaat haar huwelijk flinke scheuren vertonen en als Adriana door Hendrik mishandeld wordt en ontdekt dat hij vreemdgaat gaat ze terug naar Noordwijk met haar kinderen. Maar schrijft Smit: ‘Kan een mens ooit naar huis terugkeren? Of is ‘thuis’ een statisch beeld dat een illusie blijkt? Op de plek waar ik geborgenheid verwachtte, voelde ik me ontheemd.’ Maar ze ontmoet Jacob weer. Haar grote liefde die altijd is blijven sluimeren in haar hart en zoals blijkt ook in zijn hart. Hij was inmiddels getrouwd met Betje en vader van drie kinderen maar is sinds kort weduwnaar. Jacob ziet haar lopen op de boulevard, ze zegt tegen hem: ‘Het is me nooit gelukt niet van je te houden.’ En: ‘Hun lichamen herkenden, herinnerden, handelden sterker dan alle voornemens waar de mens vanuit zijn vrije wil over kan beschikken. Er was een huiveringwekkende vanzelfsprekend-heid die hen alle vermommingen deed afleggen.’ Prachtig is het slot van deze kleurrijke roman met zijn fin de siècle decor als Adriana in de epiloog de zee bezingt: ‘De zee breekt en dreunt, trekt zich terug, verzamelt kracht, tot ze opnieuw breekt en dreunt. Alle wel en wee is maar eb en vloed.’ Behalve een mee-slepende liefdesroman geeft Smit een raak beeld van Noordwijk in de periode 1890 – 1918 met alle veranderingen die er geleidelijk aan plaatsvonden. En ook de perikelen die de Eerste Wereldoorlog met zich meebracht vlecht ze subtiel door haar liefdeshistorie heen. Met deze roman brak Smit begrijpelijk door bij het grote publiek.

Ellen de Jong