Van der Meer, Vonne

Vonne van der Meers roman: ‘Het smalle pad van de liefde’ maakt de weg vrij naar een religieus ontwaken

Floris, vader van drie kinderen, is idolaat van surfen. ‘Hij moest naar zee’, terwijl hij op z’n kantoor zit en een echtscheidingszaak dient te behandelen voelt hij ‘in al zijn vezels dat het een ideale surfdag is.’ Wellicht de laatste van het seizoen. Vroeger surfte hij de ‘hele winter door’ maar die tijd is voorbij, ‘met de komst van de kinderen was hij voorzichtiger geworden.’ Toch kan hij geen weerstand bieden aan zijn impuls om op deze dag waarop hij zeven jaar getrouwd is, de zee op te gaan. En hij gaat, want hij kan dan toch nog  op tijd terug zijn om met Françoise en zijn kinderen hun trouwdag te vieren. ‘Over het geluid van de branding heen zong hij’ en ‘hij zong tot hij schor was. Beter kon het leven niet worden.’ Terwijl Françoise en de kinderen - Björn, de jongste, ligt in de buggy - op het strand op hem wachten grijpt het noodlot in. Het karretje grijpt te veel wind, Björn is op slag dood: elf maanden oud, broertje van Lucie en Dédé. Floris en Françoise gaan gebukt onder schuldgevoelens: ‘als hij niet was gaan surfen die woensdag maar zijn werkdag had uitgezeten, leefde Björn nu nog. Dan zei Françoise dat zij de buggy nooit los had mogen laten, niet met die wind, en ook de veiligheidsriem nooit los had mogen klikken, jamais.’ Met dit relaas begint de nieuwe roman van Vonne van der Meer, die ze de titel: ‘Het smalle pad van de liefde’, meegaf. Uitgave Atlas Contact. Na het ongeluk besluiten Floris en Françoise, met hun kinderen, in de Franse Auvergne, in het dorpje Chazelle, te gaan wonen. Floris gaat er een oud huis renoveren en een nieuw bestaan gaat van start. Mèt hun nieuwe vrienden, Pieter en May en hun kinderen, die de zomermaanden bij hen komen doorbrengen. Het klikt aan alle kanten tussen de families. Het zijn zorgeloze zonnige tijden al blijft het verdriet om Björns dood heftig: een levensgroot drama waarvan Pieter en May pas later deelgenoot worden. Van der Meer laat  het gezellige samenzijn van de families rustig voortkabbelen tot er een kink in de kabel komt. Floris en May worden verliefd op elkaar. ‘Het waren geen rillerige, verwaarloosde minnaars die zich aan elkaar laafden. In Floris’ huwelijk was wel sprake van een zekere afstandelijkheid van de kant van Françoise, maar die was recent en geen excuus om zijn toevlucht bij May te zoeken. En ook haar begeerte kwam niet voort uit armoe, niet uit gebrek aan aandacht, niet uit nooit meer aangeraakt worden of onvrede over de wijze waarop ze bemind werd. Er waren wel grieven, maar geen onoverkomelijke. Geen tekort, eerder de vanzelfsprekendheid van liefde maakte hen overmoedig.’ In poëtische bewoordingen beschrijft Van der Meer hoe ze zich goed doen aan elkaar: ‘Als ze met hem vree, rook ze niet alleen zijn haar, zijn door de zon verwarmde  huid maar ook het bos, de aarde en soms de herfst al. Hun bed was het mos en wat bladeren, bij iedere beweging hoorde ze geritsel, en behalve zijn ademhaling, zijn zoemend gekreun, op de achtergrond ook altijd het ruisen van water. Geen wonder dat ze zo hoog werd opgetild, zich wijder voelde dan ooit, vloeibaarder, vruchtbaarder, ondanks de pil die ze met tegenzin slikte.’ Maar de relatie houdt geen stand hoe onverbrekelijk die ook lijkt te zijn. Ze nemen afscheid. May droomt de eerste weken telkens van Floris. Maar later ‘ontwaakt ze niet meer met het schamele gevoel dat haar iets is afgenomen, maar ontdekt dat ze iets heeft teruggekregen: de zekerheid dat ze wel heel veel van Pieter en de kinderen moet houden, want anders had ze dit offer niet gebracht.  Ze heeft haar eigen weefsel intact gelaten en Floris het zijne, en samen hebben ze het grote weefsel heel weten te houden. Dat verbindt hen nu. Ze is trots op hem en op zichzelf: ze zijn boven zichzelf uitgestegen.’ Mooi verwoordt Van der Meer deze passage maar May kan ondertussen geen kant op met haar gevoelens voor Floris en met haar schuldgevoelens naar Pieter toe. Ze biecht hem uiteindelijk hun affaire op en die vergeeft hij haar, ruimhartig als hij is. Als ze op een dag van Françoise te weten komt dat Floris een ander heeft stort haar wereld in en zoekt ze toevlucht tot Heleen, een non, die haar leert bidden: ‘God maak…God zorg…God ontferm u over hem…Over mij…Over hem…Over onze gezinnen.’ Tenslotte ontdekt ze dat Floris haar mist maar er is geen weg meer terug. Ze vindt troost in het geloof. ‘Het smalle pad van de liefde’ heeft uiteindelijk een godsdienstige betekenis gekregen. Van der Meer die zelf op latere leeftijd katholiek is geworden vat het religieuze besef - dat May in de kapel ervaarde toen ze voor het beeld van Christus knielde en ‘het gevoel kreeg dat er naar haar geglimlacht werd,’ toen ze naar antwoorden zocht op haar vragen - zuiver en treffend samen in de laatste regels van het boek: ‘terwijl ze terugglimlachte, was het alsof er een hand over haar gezicht streek en de glimlach werd een gloed die door haar hele lichaam trok. Er was geen onderscheid meer tussen haar lichaam en de ruimte, en alles wat zich in die ruimte bevond en wie daar nog was. Geen afstand. Er was alleen een gloed, in haar en om haar heen, een vlam waar de laatste resten pijn en schaamte op afvlogen, als motten, en in verbrandden. ‘

Ellen de Jong 2013