Rawie, Jean Pierre 2013

Prozadebuut van dichter Jean Pierre Rawie

Jean Pierre Rawie is één van de meest geliefde, klassieke dichters die ons land kent. Zijn recente dichtbundel ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’, werd lovend ontvangen. ‘Vroeger was alles beter, behalve de tandarts’, is Rawies prozadebuut. Uitgave Bert Bakker. Rawie schreef columns voor het Dagblad van het Noorden, een deel ervan verscheen in genoemd boek; soms in een gewijzigde vorm. Zelfspot en ironie zijn Rawie niet vreemd. Zijn hoofdstukken ‘Letteren’, ‘Weleer’, ‘Kroon’, ‘Macht’, ‘Weleer’, ‘Kroon’, ‘Kunst’, ‘Kennis’, ‘Geloof’ en ‘Sic transit’ zijn ervan doordrenkt. In grote lijnen beschrijft Rawie het dagelijks leven met de nodige  beslommeringen en het wel en wee onder meer op literair terrein. Veel gebeurtenissen spelen zich af in Groningen, waar Rawie woont: ‘Mijn wieg stond elders, maar ik heb vrijwel mijn gehele leven gesleten in het noorden van ons koninkrijk. De niet slechts geografische, doch ook gevoelsmatige afstand die mij van de Randstad scheidt, ben ik naarmate ik ouder werd steeds meer gaan koesteren.’ En: ‘indien ik iets ben, ben ik een dichter, maar dat betekent hier te lande niks zolang je nog niet dood bent (‘U schrijft prachtige gedichten, maar wat dóet u eigenlijk?’). Poëzie is iets wat je ‘erbij’ doet’.’ Zowel als dichter als prozaschrijver gooit Rawie hoge ogen: ‘Vroeger was alles beter, behalve de tandarts’ is een schot in de roos, niet alleen qua anekdoten, maar de wijze waarop hij die spitsvondig verwoordt. Op zijn karakteristieke wijze. Hij ergert zich aan de alom heersende taalverruwing met uitspraken als: zoiets van, zeg maar, en het gejij & gejou. Zowel in de media als in het dagelijks leven. Om maar niet te spreken over de constante spellingvernieuwing, ‘allerminst een vereenvoudiging’. Denk maar aan pannenkoek en gedachtegoed. Zuiver Nederlands is voor Rawie een vereiste; hier en daar pleegt hij zelfs met ouderwets taalgebruik uit de hoek te komen. Met woorden als: doorgaans, immer, derhalve, daarenboven. Een ernstig onderwerp is de dood van zijn grote vriend Driek van Wissen, die tot Dichter des Vaderlands werd gekozen. ‘De dood van Driek van Wissen heeft een beetje een weduwnaar van mij gemaakt. Omdat onze vriendschap, geboekstaafd door een aantal gezamenlijke publicaties, in brede kring bekend was, word ik overstelpt met betuigingen van medeleven. Dat is goed, maar ik mis in dit koor de relativerende stem die nu voor immer zwijgt. Vanaf de eerste ontmoeting was dat namelijk wat ons bond: eenzelfde gevoel voor ironie.’ Daartegenover staat het vermakelijke hoofdstuk ‘Fan’. Rawie zou optreden, zo schrijft hij ‘in een stadje in Noord-Holland. Ik was in die tijd enigszins bekend, en de opkomst stemde tot tevredenheid.’ In het gebruikelijke voorprogramma declameerde een plaatselijke dichter uit zelfgemaakt werk. Het onderwerp was masturbatie. ‘Het leek me geen onuitputtelijk onderwerp, maar het publiek vond het leuk, en daarenboven: ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. In de pauze dronk hij opvallend veel genever.’ De plot verklap ik niet. Rawie heeft een vriendin die hij herhaaldelijk ‘De Jonge Vrouw Die De Beste Jaren Van Haar leven Aan Mij Vergooit’, noemt. Zij wilde een nieuwe keuken, Rawie haat vernieuwingen met het bijbehorende lawaai, maar hij zwichtte voor haar plan. De werklui schaftten aan de eettafel, ‘terwijl ik in hetzelfde vertrek zat te lezen, maar we deden net of we elkaar niet opmerkten. Vermoedelijk dachten ze dat mijn levensgezellin mijn dochter was, of een hulpverleenster die zich het lot van deze zonderling had aangetrokken.’ De keuken werd prachtig en Rawies vriendin kreeg een sms’je waarin de tattoojongen vroeg of zij mee uit wilde…’ Lees de plot! In veel hoofdstukken vloeit de drank rijkelijk en vooral onder ‘Het zorgeloze kunstenaarsvolkje’ toen Rawie met Gerard Reve  een aantal lezingen gaf. In het hoofdstuk ‘Uit de mode’, gaat Rawie op zoek naar een driedelig pak dat nergens meer te krijgen is. ‘Gelukkig zijn er nog kleermakers, maar dat zijn wel vaak artistieke naturen, die het met hun deadline minder nauw nemen. Daar heb ik uit voor de hand liggende zielsverwantschap alle begrip voor, maar zo’n pak, dat wil je eigenlijk meteen aan, dat bestel je niet een halfjaar van tevoren.’ Maar constateert Rawie later: ‘Toch zijn er, ik zeg het met tegenzin, vernieuwingen die een verbetering blijken te zijn.’ Toen hij een fles Pomerol 1969 wilde ontkurken, zakte de kurkentrekker in de flessenhals, ‘de kurk tot een verbluffende hoeveelheid kruimeltjes herleidend. Nu, met de moderne kunststofkurk doen zulke teleurstellingen zich niet meer voor, evenmin als met de eens zo gesmade schroefdop.’ Nergens is Rawie te betrappen op onzorgvuldige formuleringen, van A-Z hanteert hij de taal als een kostbaar kleinood. Zin voor zin moet geproefd worden om de schone smaak ervan. Dat Rawie ouder wordt, hij is zestig geworden, memoreert hij in ‘Tijd van leven’. Het voortschrijden van de tijd merkt hij onder meer aan ‘de bezorgde toon waarop mijn lijfarts mij, de realiteit geheel uit het oog verliezend, aanspoort minder te drinken.’ Rawie ten voeten uit. Beeldschoon vertaalde hij een sonnet van de zeventiende-eeuwse Italiaanse graaf Bernardo Morando:

Zo volgen de seizoenen en de jaren

elkander één na één en om en om,

en geen weet ’s zomers hoe de winters waren.

 

Maar komt de winter van de ouderdom

Voor ons, met trage tred, besneeuwde haren,

Dan keert de mei van vroeger nooit weerom.


Ellen de Jong    2013