Vigan, Delphine de 2013-2

De eenzaamheid van ‘Ondergrondse uren’

Mathilde woont in Parijs, ze is een jonge, alleenstaande moeder met drie zoons. Haar man Philippe kwam bij een verkeersongeluk om het leven. Al staat ze er alleen voor, ze heeft gelukkig een baan bij een bedrijf die haar bevalt. Maar daar komt helaas verandering in. Haar baas Jacques probeert haar van de een op de andere dag geleidelijk aan uit het bedrijf te werken. Mathilde begrijpt er niets van, want ze waren altijd twee handen op één buik. Tijdens een belangrijke vergadering zat Mathilde niet op één lijn met hem, maar dat kon toch niet de oorzaak zijn? Hoewel Delphine de Vigan in haar boek ‘Ondergrondse uren’ (uitgave Nieuw Amsterdam, vertaling Djamila Bekkour), schrijft: ‘Alles is begonnen op die vergadering, hoe absurd dat ook mag lijken. Daarvóór was er niets aan de hand. Vóór die bewuste vergadering was ze de assistent-marketingdirecteur bij de belangrijkste dochteronderneming Voeding en Gezondheid van een internationaal levensmiddelenconcern’, komt de lezer niet te weten waarom Jacques Mathilde stelselmatig treitert en vernedert en haar tenslotte een piepklein kamertje geeft naast de mannen wc’s. ‘Op die bewuste dag, eind september, was er in tien minuten tijd iets veranderd. In het specifieke en doeltreffende systeem van hun werkrelatie was iets binnengeslopen wat ze niet had gezien of gehoord.’ Mathilde gaat, wanhopig als ze is, naar een waarzegster die haar voorspelt dat op 20 mei haar leven een andere wending zal krijgen. ‘Ze is naar die vrouw gegaan omdat er gewoonweg niets anders was, geen enkel hoopgevend straaltje licht, geen vervoegbaar werkwoord, geen toekomstperspectieven. Ze is naar haar toe gegaan omdat je je toch ergens aan moet vastklampen.’ Het gaat van kwaad tot erger. Mathilde ziet er geen gat meer in. Toch blijft ze volhouden al schiet niemand haar te hulp. Dag in dag uit reist ze met de metro, met al die opeengepakte lichamen, van station naar station, al die ondergrondse uren, staart ze vaak wezenloos voor zich uit, niet in staat de cirkel van haar eenzaamheid te doorbreken. Waarom praat ze niet met Jacques? ‘Ze had gedacht dat ze de situatie het hoofd kon bieden.’ Maar het is te laat want wat Mathilde ook oppert Jacques ontwijkt haar en duwt haar steeds verder de put in. En al begint ze 20 mei met een lach, er verandert niets en ‘ze bedenkt dat 20 mei een dag van chaos en geweld is en helemaal niet  verloopt zoals haar is voorspeld.’ Ze constateert dat ze op haar dertigste de dood van haar man heeft overleefd en dat ze intussen veertig is en dat een klootzak in driedelig pak bezig is haar leven kapot te maken. In haar boek laat De Vigan twee verhaallijnen knap in elkaar overvloeien. De eenzame en verdrietige levensloop van Mathilde in het woelige Parijs doorkruist het eveneens tragische bestaan van noodhulparts Thibault die zich in allerijl door Parijs van de ene naar de andere patiënt spoedt en hun ziektegeschiedenis aanhoort die vaak onbeduidend is. Zijn liefdesleven is ook niet rooskleurig: ‘Hij heeft Lila ontmoet op een herfstnacht, in café De Ganzen, in het steil oplopende deel van de straat. Tot dan toe waren ze elkaar verschillende keren tegen het lijf gelopen, vlak bij zijn flat, voor het  zwembad of bij de bakker. Die keer waren ze zo dicht bij elkaar dat ze elkaar onmogelijk konden mislopen.’ Thibault wordt verliefd op haar, maar Lila geeft zich niet, houdt terdege afstand, hij kan niet tot haar doordringen: ‘Hij heeft nooit geloofd in haar knipperlichtrelatie, die dagenlang en soms zelfs weken zonder hem kon, die diepgang miste. Want Lila had altijd wel iets belangrijkers te doen.’ Hij wil het uitmaken, maar aarzelt nog. Hij durft de stap niet te maken. Tegen het einde van de roman komen Mathilde en Thibault elkaar tegen, al houdt De Vigan die toevallige? ontmoeting vaag. Dat is het intrigerende ervan. Ze komt in de metro tegenover ‘de man met de dokterstas te zitten en hij hield zijn blik op haar gericht.’ En schrijft De Vigan: ‘Iets in hem zei dat zij beiden, die vrouw en hij, getroffen waren door eenzelfde soort uitputting, een zelfvervreemding waardoor je lichaam naar de grond werd gezogen. Iets in hem zei dat ze veel gemeen hadden, wat een dwaze en kinderachtige gedachte was. Hij sloeg de ogen neer. Toen de deuren opnieuw openschoven stapten de meeste reizigers uit. In de dichte menigte probeerde hij haar gestalte terug te vinden. De metro reed weer weg, de vrouw was verdwenen.’ En tot slot: ‘Meegesleurd door de opeengepakte, onordelijke stroom reizigers bedacht hij dat de stad altijd haar ritme, haar haast en spitsuren zou opleggen, dat ze de miljoenen eenzame menselijke parcoursen zou blijven negeren, die als ze elkaar kruisen niets opleveren, niets anders dan leegte of een vonkje dat ze weer vervlogen is.’ ‘Ondergrondse uren’, dat indrukwekkend en met veel gevoel voor menselijke wanhoop en verdriet stijlvol verwoord is door de Vigan, is echter geen vonkje, dat zo weer vervlogen is.

Ellen de Jong 2013