Rawie, Jean Pierre 2012

Nieuwe dichtbundel van Jean Pierre Rawie: ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’

Jean Pierre Rawie is dichter en vertaler. Hij brak door met de dichtbundel ‘Onmogelijk geluk’ (1992). Na zijn laatste bundel ‘Geleende tijd’ (1999) verscheen recent ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’. Opnieuw hanteert Rawie thema’s als vergankelijkheid, sterfelijkheid, onvervulde verlangens, liefdes die voorbijgingen met de daarbij horende melancholie en seizoenen die maar blijven komen en gaan. In het titel gedicht gaat het om het raadsel van de tijd: ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag.// Een jaar is zo voorbij, terwijl de uren/ elk wel een eeuwigheid lijken te duren,/ en morgen wordt als gister en vandaag.’ En: ‘De mens is niet gelukkig van nature,/ en kwelt zichzelf met steeds dezelfde vraag / waarop geen antwoord is.// Je zou zo graag/ iets door de spiegel zien, maar het blijft turen.’ 
Rawie kreeg in 2011 een hersenbloeding en de revalidatie erna inspireerde hem tot dichten: de ader ging weer vloeien! Hij noteert  hoe hij zich ‘staande’ kon houden tijdens die zware revalidatie periode: ‘Ik hield mij al die maanden/ dat ik herstellend was/ alleen figuurlijk staande/ door wat ik schreef en las.’ En:  ‘ik kon het enkel aan/ door verzen te vertalen/ die ooit een Italiaan/ voor iemand had geschreven/ die misschien niet bestond,/ maar waardoor ik het leven/ weer deels te dragen vond.’ Het zijn verzen van Giovanni Battista Marino (1569- 1625). De vertalingen die Rawie van zijn poëzie en die van andere 17e eeuwse dichters maakte beslaan zo’n twintig pagina’s en vormen het laatste deel van de bundel.  Rawie’s nieuwe onderwerpen zijn niet alleen de beroerte die hem trof en de gevolgen ervan: ‘Mijn rechterhand gehoorzaamt niet meer goed/ en lopen lukt alleen maar met een kruk’, maar ook de dood van zijn demente moeder: ‘Mijn moeder die haar lange laatste jaren/ in een tehuis voor oude mensen sleet,/ had na verloop van tijd steeds minder weet/ van dingen die daarvóor haar leven waren.’ Kommer en kwel en het eeuwig leven met de dood laat Rawie varen in ‘Winterlandschap’: ‘De trein reed traag door de besneeuwde velden,/ er werd geschaatst op een bevroren vaart.// Een winterlandschap als een prentbriefkaart;/ zo Hollands zie je Nederland maar zelden.// Maar al wat je een jaar lang had bezwaard,/ de grotemensenzorgen die je kwelden,/ het was alsof het allemaal niet telde:/ het was het overwegen niet meer waard.// En even leek het of de oude aarde/ niet al miljoenen jaren had bestaan,/ en zich in alle ongereptheid aan/ een pas voltooide schepping openbaarde.// De zon bescheen de witte uiterwaarden/ alsof zij nimmermeer zou ondergaan.’ Wat een rijke taal en toch zo toegankelijk. Dat geldt overigens voor alle verzen - in sonnetvorm - uit deze bundel. Uit zijn vers ‘Opnieuw’ gloort de hoop dat Rawie’s dichtader zal blijven vloeien: ‘Hoe wankel ik ook sta.// Ik handhaaf mij.’

Ellen de Jong    

‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’
Auteur: Jean Pierre Rawie
Uitgave: Bert Bakker
ISBN 978 90 351 3814 8