Truijens, Aleid over F.B. Hotz

Biograaf Aleid Truijens doet indrukwekkend boek(je) open over het leven van F.B. Hotz: ‘Alles in dit heelal moet gekocht en betaald worden’


                
Wie was de schrijver F.B. Hotz (1922-2000)? Schrijfster, journalist, recensent en columnist voor de Volkskrant Aleid Truijens, schreef een biografie, voorzien van een rijke collectie foto’s, over F.B. Hotz - Het leven, getiteld ‘Geluk kun je alleen schilderen’ en ze kreeg het voor elkaar Hotz in 572 bladzijden te portretteren. En dat was geen sinecure want Hotz’ zuster, Atie Fransen-Hotz, vernietigde op verzoek van haar overleden broer alle nagelaten documenten. ‘Alle sporen werden uitgewist – de nachtmerrie van een biograaf’, noteert Truijens in haar inleiding. Toch lukte het haar want ze kwam erachter dat er zeker bronnen waren om het verhaal op te baseren.

Debuut
Hotz was in de jaren vijftig en zestig een bekend jazztrombonist en had met bekende orkesten opgetreden. Er liepen vast nog mensen rond die hem gekend hadden. Hetzelfde gold voor de literaire wereld, Hotz was bevriend geweest met schrijvers als Maarten ’t Hart en Maarten Biesheuvel. Zelf ontdekte Truijens Hotz eind jaren zeventig. Toen ze ‘Dood weermiddel en andere verhalen’ las stond ze perplex: ‘Iedere zin was raak. Geestig en precies, slagen met een klein, venijnig hamertje.’ Later kwam Truijens erachter dat critici als Komrij en Fens Hotz al bejubeld hadden evenals zijn uitgevers. Truijens zelf bewondert ‘de verbluffende precisie waarmee Hotz emoties fileert en pretenties ontmaskert: jaloezie, eigenliefde, hoogmoed, ontrouw. Angst vooral. Hij laat zien wat het allermoeilijkst is voor mensen: met  elkaar leven op een beetje aanvaardbare manier.’ 

Speurtocht                                                                                                                            Op haar speurtocht kwam Truijens in aanraking met de briefwisseling tussen Hotz en zijn oom Herman Kunst ‘die hem altijd had gestimuleerd om door te gaan met schrijven en erop aandrong dat zijn neef eens iets opstuurde naar het tijdschrift Maatstaf – wat hij in 1974 uiteindelijk deed. Zijn, late, debuut in Maatstaf, met het wonderbaarlijk mooie verhaal ‘De  tramrace’ bleef bepaald niet onopgemerkt, en zijn oom, met wie Hotz sinds 1945 correspondeerde, was getuige van zijn entree in de literatuur.’ Tevens bleek tot Truijens grote verrassing Hotz’ zuster, Atie Fransen-Hotz met wie hij het grootste deel van zijn leven had samengewoond, bereid mee te denken over de vrienden en familieleden met wie zij gesprekken zou kunnen voeren. 
‘Hotz kwam niet graag in het openbaar en mengde zich nauwelijks in het literaire leven. Eigenlijk kwam hij het liefst niet eens buiten. Dat was aan hem te zien: een bleke, naar binnen gekeerde man. Alleen in zijn verhalen liet hij zich zien, en dan ook heel pregnant’, schrijft Truijens. En: ‘Hij gaf nauwelijks interviews, en als het dan toch moest het liefst schriftelijk, en op strikte voorwaarden dat de vragen over zijn werk zouden gaan. Voorlezen, of signeren in boekhandels, daar deed hij niet aan. De enkele keren dat hij optrad in het openbaar - bij de uitreiking van de Bordewijkprijs in 1978 en de Sjoerd Leikerprijs in 1992 – maakte hij een ongemakkelijke, verzenuwde indruk. De uitreiking van de P.C. Hooftprijs, in 1998, de hoogste erkenning die een schrijver in Nederland kan krijgen, vond thuis op zijn kamer plaats.’

De reden waarom Truijens een biografie over Hotz wilde schrijven ‘is niet in de eerste plaats dat hij een ‘veelbewogen’ leven had, maar dat wat hij schreef zo mooi is, en zo goed. Ik wil een portret schetsen van de man die dat bijzondere werk schreef.’ Hotz als persoon is bepaald niet saai en zijn levensloop evenmin. Hij is zowel een zwierig trombonist als een serieus schrijver. 

Drama
Hij was ongeschikt voor het huwelijk: ‘Het vervelende van vrouwen is dat ze altijd maar willen trouwen en kinderen baren (liefst veel), en het vervelende van mannen is dat ze alleen maar vrouwen bij wijze van spermatoir willen aanhouden’, maar hij had wel oog voor vrouwelijk schoon en hield van mooie, ranke vrouwen gekleed in zwierige jurken. Zijn sombere kijk op het huwelijk was niet veranderd sinds hij verliefd was op Barbara, maar van haar hield hij, meer dan van enig ander meisje met wie hij een relatie had gehad. Barbara wilde per se een kind en dat kwam er. Het werd een zoon, Jeroen, en Hotz ontpopte zich als een toegewijd vader, in tegenstelling tot Barbara  die al snel genoeg had van het moederschap. 
Het huwelijk hield geen stand. Barbara ging er met Hotz’ beste vriend Serein vandoor en het levensgrote drama dat zich daarna in Hotz’ leven afspeelde is hij nooit te boven gekomen. Hij zonderde zich steeds meer af, ook vanwege zijn broze gezondheid en slechte ogen - tegen het eind van zijn leven werd hij zelfs blind - en zat nog meer dan vroeger het liefst alleen op zijn kamer ‘en dwaalde dan rond in zijn verhalen, in zijn muziek, in het verleden.’ Hij had veel pech in zijn leven evenals menig figuur in zijn verhalen, maar hij werd niet verbitterd. De tegenslagen in zijn privéleven en zijn fysieke gesteldheid verhinderden hem niet een schitterend oeuvre te schrijven. In een interview zei hij ooit: ‘Ik vind dat het mensen niet altijd mee hoeft te zitten. Schade en onrecht zijn niet altijd het slechtste wat een mens kan overkomen. Dan kun je groeien. Tegenstand kan zin hebben.’ Truijens concludeert: ‘Hotz’ werk is het beste bewijs van de juistheid van die stelling. Evenals zijn overtuiging: ‘Alles in dit heelal moet gekocht en betaald worden’. Zij kon gerust als motto én typering van zijn leven gelden. Zijn succes bleek een prijs te hebben.’ 
‘Ongeluk is te beschrijven, maar geluk is alleen te tekenen of te schilderen’, zegt de schilder Lucas in Hotz’ verhaal ‘De vertekening’. Hotz richtte zich op het eerste en Truijens schreef op haar beurt met veel liefde en toewijding over de persoon Hotz en zijn indrukwekkende oeuvre dat door haar toedoen hopelijk gelezen zal blijven. 
                
Ellen de Jong 2012

‘Geluk kun je alleen schilderen’
Auteur: Aleid Truijens
Uitgave: De Arbeiderspers
ISBN: 9 789029 575317