Winterson, Jeanette 2012

Waarom gelukkig zijn als je ook ...


Openhartige roman van Jeanette Winterson: ‘Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?’


Een meisje wordt geadopteerd door een Noord-Engels echtpaar dat aan godsdienstwaanzin lijdt. Ze zijn lid van de Pinkstergemeente en willen van hun dochter een zendeling maken. Wat niet lukt; in plaats daarvan vat ze liefde op voor haar eigen sekse. In ‘Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?’ beschrijft Jeanette Winterson, één van Engelands bekendste hedendaagse schrijfsters hoe haar vroegste jeugd, de breuk met haar adoptieouders en de zoektocht naar haar biologische moeder verloopt. Ze was – geboren in 1959 in Manchester – ongewenst als adoptiekind, Mevrouw Winterson, zoals ze haar pleegmoeder steeds noemt, had liever een jongetje gehad dat wellicht wel zendeling was geworden. Jeanette liet zich niet vormen naar de wil van haar gestoorde pleegmoeder al werd ze geslagen, in een kolenhok gestopt en meer wreedheden moest ondergaan, ze bleef vechten en leerde al vroeg nooit te huilen. Het grootste deel van haar schooljaren voelde ze zich buitengesloten maar daar zorgde ze zelf voor: ‘Adoptie is uitsluiting. Je toont hoe het voelt om degene te zijn die nergens bij hoort. En dat toon je door te proberen anderen aan te doen wat jou is aangedaan. Je kunt onmogelijk geloven dat iemand van jou houdt om wie je  bent.’ Jeanette groeide op in Accrington, Lancashire, en ze was heel vaak vol woede en wanhoop. Als ze werd opgesloten in het kolenhok verzon ze verhalen en vergat ze de kou en het donker. Haar redding was het lezen van fictie, ‘Een boek is een vliegend tapijt waarop je naar elders vliegt. Boeken zijn voor mij een thuis. Boeken creëren geen thuis – ze zíjn een thuis in de zin dat je, net zoals je met een deur doet, een boek opent en naar binnen gaat.’ Als puberend meisje las ze de Engelstalige literatuur van A-Z ondanks het strenge verbod van mevrouw Winterson, die als ze ontdekte dat Jeannette, naar haar bekrompen idee, wereldse boeken las, zei: ‘De duivel heeft ons naar het verkeerde wiegje geleid.’ Op een avond ontdekte mevrouw Winterson een boek onder de matras van haar dochter, ‘Women in love’ van D.H. Lawrence, ongelukkiger kon het niet. Daarna vond ze meer boeken en stak die één voor één in brand. Daarna begon Jeanette teksten uit het hoofd te leren, want ze realiseerde zich dat ‘alles wat zich aan de buitenkant bevindt, kan elk moment worden afgenomen. Alleen wat binnen in je is, is veilig.’ En ze begreep toen ze over de smeulende hoop papier met drukletters gebogen stond dat ze nog iets anders kon doen: ‘Sodemieter op dacht ik, ik kan mijn eigen boek schrijven.’ Op haar vijftiende kust een ouder meisje haar: ‘Het was mijn eerste moment van herkenning en verlangen.’ Mevrouw Wintersons reactie was zoals verwacht: ‘De duivel is weer in je. Dus laat ik je dit zeggen: óf je gaat dit huis uit en komt nooit meer terug, óf je ziet dat meisje nooit meer.’ Jeanette probeert het nog uit te leggen: ‘Als ik met haar ben, ben ik gelukkig. Gewoon gelukkig.’ Mevrouw Winterson antwoordt: ‘Waarom zou je gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?’ Jeanette ging naar Oxford waar ze in 1981 haar bachelorsdiploma Engelse literatuur haalde. Ze maakte kennis met feministische auteurs als Doris Lessing en Toni Morrison. Later werd Jeanette zelf een bekende schrijfster. Intussen heeft ze voorgoed afstand genomen van haar pleegmoeder en haar ook nooit meer teruggezien. Ze gaat op speurtocht naar haar biologische moeder waarbij ze van het kastje naar de muur wordt gestuurd. Toch vindt ze haar: Ann. Die probeert Jeanette op te nemen in de familie en legt haar uit waarom alles ging zoals het ging. Helaas werkt het niet, na hun derde ontmoeting krijgen ze een flinke ruzie: ‘Ik schreeuw tegen haar: ‘Mevrouw Winterson was er tenminste. Waar was jij?’ Ook Jeanettes relatie met vriendin Deborah Warner is wankel en ongelukkig. Winterson verwijt haar mislukte liefdesrelatie(s) aan haar moeder die ‘onze eerste liefdesaffaire is. Haar armen. Haar ogen. Haar borst. Haar lichaam. En als we haar later haten, dan dragen we die woede op andere geliefden over. En als we haar kwijtraken, waar vinden we haar dan weer?’ Aan het eind van het boek, na Wintersons beschrijving hoe ze na de scheiding van Deborah een poging tot zelfmoord deed en de onbevredigende relatie met Ann, ‘iemand die ik helemaal niet ken’ uit de doeken doet, concludeert: ‘ik ben liever deze ik – de ik die ik geworden ben – dan de ik die ik misschien geworden zou zijn zonder boeken, zonder opleiding, en zonder alle dingen die mij onderweg zijn overkomen. Ik vind dat ik van geluk mag spreken.’ Ondergetekende spreekt van geluk dat ze dit boek tegenkwam. Evenals in haar boek ‘Op het lichaam geschreven’ geeft Winterson zich helemaal bloot en opnieuw in een zuiver literaire taal die er nooit om liegt.

Ellen de Jong   2012

‘Waarom gelukkig zijn als je normaal kunt zijn?’
Auteur: Jeanette Winterson
Vertaling: Maarten Polman
Verschenen bij: Uitgeverij Contact
ISBN 9 789025 437169