Müller, Herta 2012

‘Ademschommel’: roman van Nobelprijswinnaar 2009 Herta Müller




De Nobelprijs voor de Literatuur ging in 2009 naar Herta
Müller. Ze schreef onder meer romans als ‘Hartedier’ en ‘Vandaag was ik mezelf
liever niet tegengekomen’. In haar nieuwste roman ‘Ademschommel’, uitgave De
Geus, gaat het om het volgende verhaal: In 1944 werd in Roemenië het
fascistische regime door de Russen omvergeworpen. Alle in Roemenië woonachtige
Duitse mannen en vrouwen tussen de zestien en zesenveertig jaar  werden opgeroepen voor de ‘wederopbouw’ van
de Sovjet-Unie. Leo Auburg stond op de lijst van de Russen en toen hij
opgeroepen werd dacht hij, als zeventienjarige jongen, dat ‘dit vertrekken op
het juiste moment kwam.’ Hij wilde weg uit ‘de vingerhoed van de kleine stad,
waar alle stenen ogen hadden.’ Hij was bang dat men zou ontdekken dat hij homo
was. Op elk rendez-vous zou gevangenisstraf hebben gestaan. Zover komt het
niet, wel wordt hij om drie uur in de nacht van 15 januari 1945 in een veewagen
naar een werkkamp bij een cokesfabriek op de Russische steppe afgevoerd. Bij
het afscheid zei zijn grootmoeder: ‘Ik weet dat je terugkomt.’ Deze zin ligt vijf
kampjaren lang verankerd in zijn hoofd. ‘Ik heb hem achteloos mee naar het kamp
genomen. Ik had geen idee dat hij met me mee ging.’ En: ‘Ik weet dat je
terugkomt’ werd de medeplichtige van de harteschop en de tegenspeler van de
hongerengel. Omdat ik ben teruggekomen, mag ik dat zeggen: Zo’n zin houdt je in
leven.’ Müller beschrijft de erbarmelijke tocht naar het kamp en het leven daar
dat geen leven is: ‘Wat valt er te zeggen over de chronische honger. Kun je
zeggen, er bestaat een honger die je ziek van de honger maakt. Die er steeds
hongeriger nog bij komt, bij de honger die je al hebt.’ De radeloosheid, de
mentale en fysieke uitputting : ‘Ik heb een drukkend gevoel in mijn maag, dat
naar mijn gehemelte stijgt. De ademschommel slaat over de kop, ik moet hijgen.’
Om te overleven moet Leo ‘de hongerengel’ en de ‘veloverbeentijd’ zien te
misleiden: ‘Ik zal zijn weegschaal bedriegen wanneer de hongerengel mij weegt.
Net zo licht als mijn gespaarde brood zal ik zijn. En net zo moeilijk te
bijten.’ Hij moet kolen- slakken- en cement scheppen: ‘Het cement vreet je
tandvlees aan. Wanneer je je mond opendoet, scheuren je lippen als het papier
van de cementzakken’ en hoe houd je het vol als je twee keer per dag koolsoep
zonder kool krijgt en 1 schep = 1 gram brood? ‘De honger is een brits wanneer de
ene hongerige naar de andere hongerige kijkt. Maar dat is bedrieglijk, ik voel
het aan mezelf, de honger klimt bij ons naar binnen.’ Om niet ten onder te gaan
dwingt hij zichzelf het aangename te zoeken. Zoals hij bij het kolenscheppen één
van zijn ‘geliefde’ scheppen de ‘harteschop’ noemt en om zich te beschermen
tegen bijvoorbeeld chemische substanties die vrij kwamen na de verwoesting van
een cokesfabriek zoekt Leo prettige woorden tegen het gif: ‘Omdat ik de
chemische reacties niet kon ontwijken, eraan overgeleverd was – ze tastten onze
schoenen, kleren, handen en slijmvliezen aan - besloot ik de geuren van de
fabriek in mijn voordeel te herinterpreteren. Ik praatte mezelf geurwegen aan
en wende me aan voor elke route op het terrein een verleiding te bedenken:
naftaline, schoensmeer, meubelwas, chrysanten, glycerinezeep, kamfer,
sparrenhars, aluin, citroenbloesem. Het lukte mij om aangenaam verslaafd te
raken, omdat ik de substanties niet wilde toestaan giftig over mij te
beschikken. Aangenaam verslaafd betekent niet dat ik mij ermee verzoende.
Aangenaam was dat er net zoals honger- en eetwoorden ook vluchtwoorden uit de
chemische substanties waren. Dat ook die woorden voor mij substantieel
noodzakelijk waren. Noodzakelijk en een foltering, omdat ik ze geloofde hoewel
ik wist waarvoor ik ze nodig had.’ Tussen alle ellende door krijgt Leo een
kaart van thuis met een foto van een kind: Robert, geb. 17 april 1947. Het is
het handschrift van zijn moeder. ‘Mijn ouders hebben een kind gemaakt omdat ze
op mij niet meer rekenden. Zoals mijn moeder geboren afkort tot GEB., zou ze
ook gestorven tot GEST. afkorten. Ze heeft het al gedaan. Schaamt mijn moeder
zich niet met haar nauwkeurige stiknaad van wit garen, dat ik onder de regel moet
lezen: Voor mijn part kun je doodgaan daar waar je bent, thuis zou dat plaats
besparen.’ Na vijf jaar, begin januari 1950, komt Leo vrij, en gaat terug naar
zijn ouderlijk huis. Hij voelt zich totaal ontheemd: 



‘Niets ging mij wat aan. Ik was opgesloten in mezelf en uit
mezelf weggegooid, ik hoorde niet bij hen en miste mezelf.’ Maar hij moet toch
aan de slag en wordt kistenmaker. Trouwt zelfs met Emma maar verlaat haar een
aantal jaren. Hij vertrekt naar Oostenrijk waar hij diverse contacten met mannen
heeft, die hem echter niet gelukkig maken: ‘Sinds de hongerengel sta ik niemand
toe mij te bezitten.’ In het nawoord vertelt Müller dat haar moeder ook vijf
jaar in een werkkamp zat maar dat er nauwelijks over gesproken werd: ‘De
verstolen gesprekken hebben mijn kindertijd vergezeld. De inhoud begreep ik
niet, maar de angst voelde ik wel.’



In 2001 begon Müller gesprekken te voeren met Oskar Pastior
die ook gedeporteerd was geweest. Hij wilde Müller helpen bij het opschrijven
van zijn herinneringen. Ze wilden er samen een boek over schrijven. Toen hij in
2006 plotseling overleed had Müller schriften vol aantekeningen die de basis
werden van ‘Ademschommel’. In een adembenemende literaire stijl stijl weet
Müller de concrete ellende in een poëtische beeldtaal te vangen. Evenals in
haar roman ‘Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen’ blinkt
‘Ademschommel’ ook uit in taalvondsten als ‘hongerengel’ en ‘harteschop’ en
oneliners als ‘Russisch is een verkouden taal’ en ‘De slapeloze nacht is een
koffer van zwart leer.’ De vakkundige vertaling is van Ria van Hengel.



Ellen de Jong



ISBN 978-90-445-1626-5