Müller, Herta 2011

‘Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen’ Literatuur van de bovenste plank...



‘Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen’


 


Literatuur van de bovenste plank                       


 


Herta Müller (Roemenië, 1953) woont sinds 1987 in Duitsland. Ze werd onder meer onderscheiden met de Europese Literatuurprijs en in 2009 met de Nobelprijs voor Literatuur. De naamloze vrouw in het boek - ‘Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen’, uitgeverij De Geus, vakkundig uit het Duits vertaald door Ria van Hengel - heeft het in haar leven hard te verduren. Ze werkt in een kledingfabriek en woont met geliefde Paul in een ‘verschoven torenflat’ in een Roemeense stad waar de dictatuur hoogtij viert. De vrouw wil voordat ze Paul leerde kennen weg uit haar land en het liefst met een rijke Italiaan trouwen. Ze stopt briefjes met haar naam en adres in de kontzakken van linnen kostuums die voor Italië werden ingepakt. De briefjes worden gevonden, gelukkig wordt ze niet ontslagen wat een nederlaag betekende voor Nelu, een mannelijke collega die de vrouw met huid en haar wilde bezitten maar die hem afwees. Nelu neemt walgelijk wraak met als gevolg dat de vrouw nu wel wordt ontslagen. En dan begint de ellende pas goed: ze wordt ontboden bij Majoor Albu die haar hardhandig behandelt: ‘Majoor Albu tilt mijn hand aan de vingertoppen op en drukt mijn nagels zo hard tegen elkaar dat ik wel kan schreeuwen.’ En: ‘Mijn nagels doen pijn, maar hij heeft ze nog nooit blauw geknepen. Ze ontdooien weer, als ijskoude handen die plotseling in de warmte komen. Ik heb het gevoel dat mijn hersenen voorover in mijn gezicht glijden, dat is het gif. Vernedering, hoe moet je het anders zeggen als je je over je hele lichaam barrevoets voelt.’ De vrouw moet steeds vaker naar Albu en in de tram op weg naar hem, komen allerlei herinneringen boven. Hoe ze in haar jeugd haar vader zag vreemdgaan en hem van de ‘vlechtmadam’ wilde verlossen door de aandacht op zichzelf te vestigen, wat jammerlijk mislukte. De verhouding met haar moeder is ook niet om over naar huis te schrijven: ‘Naar haar luisteren was onaangenaam, zelf praten of zwijgen was even willekeurig als toen, toen ik zonder reden het huis uit gefladderd was zoals ik ook zonder reden had kunnen blijven.’ In die tram overdenkt ze ook haar vriendschap met de knappe Lilli met haar ‘sleedoornblik’, die verliefd werd op een officier en totaal in beslag werd genomen door hem. Haar jaloezie wordt aangewakkerd als ze voelt dat hij tussen haar en Lilli in staat. Ze duikt telkens weer terug in het verleden en komt tot de conclusie: ‘Ik was verbaasd hoe ver je terug moet naar moeders en vaders als je alleen maar wilt vertellen waar je vandaan bent gekomen op weg naar elkaar. Zakdoeken, petten, kinderwagens, perzikbomen, manchetknopen, mieren – zelfs stof en wind waren van belang. Over verlopen jaren kun je goed praten als ze slecht verlopen zijn. Maar als je zou moeten zeggen wie je al ademend nu bent, zou er niets anders dan bedenkelijk zwijgen langs je tong liggen.’ Naarmate de tijd verstrijkt wordt de vrouw steeds vaker bij Albu ontboden en raakt ze meer en meer verstrikt in zichzelf. Müllers indringende en beklemmende roman laat scherp voelen wat het betekent om te moeten leven in een dictatuur, hoe je gekraakt wordt door laffe collega’s en te weten dat je niemand kunt vertrouwen en dat de geheime politie vrij spel heeft. Müllers stijl van schrijven is verbluffend sober en ze wordt nergens larmoyant terwijl de, onderhuidse, spanning te snijden is: Literatuur van de bovenste plank! Ze munt onder meer uit in tal van taalvondsten, ik noem er een paar: Over de officier waarop Lilli verliefd is en waarmee de vrouw het moeilijk heeft: ‘In zijn gezicht is hij jong, maar in zijn buik staat al de kogelronde avondzon.’ En Lilli’s antwoord: ‘Als hij ligt, is die avondzon zo plat als een kussen.’ En: ‘Mijn moeder slaapt met haar tweede man terwijl ze zich toedekt met de dood van de eerste.’ En: ‘Dat je op lachen kon dansen, dat de teugels braken die ons altijd kort hielden. Dat een lied over de dood van binnen warm langs je slapen streek, dat moet geluk zijn geweest. Tot we ons voor elkaar schaamden, tot de teugels korter werden dan onze neus, zo lang was het geluk.’ De veelbetekende titel, hoe komt Müller er op, dekt exact de lading van het boek. Je lijdt tot in alle vezels mee met de vrouw die ‘zichzelf liever niet was tegengekomen’. Gelukkig ben ik Herta Müller middels haar werk wèl tegengekomen.


 


 


Ellen de Jong


 


ISBN 978-90-445-1655-5