Jellema, C.O.

Dagboeken 1960 – 2003 van C.O. Jellema: ‘Een web vol dromen’


De gedichten van dichter, essayist en vertaler C.O. Jellema (1936-2003) werden vaak bekroond en in 1997 werd hem de A. Ronald Holstpenning voor zijn volledige dichtwerk uitgereikt. Achttien cahiers met dagboekaantekeningen liet Jellema na. Gerben Wynia maakte een selectie uit zijn dagboeken.  In ‘Een web vol dromen’, uitgave Querido, doet hij verslag van Jellema’s ontwikkeling als persoon en als dichter. Ik noem een paar uitspraken die Jellema al direct typeren: ‘Het verleden, waarmee ik niet klaarkom, en de angstige onzekerheid voor de toekomst, die mij maar niet wil verlaten.’  En: ‘Als ik tussen mensen ben, verlang ik alleen te zijn, ben ik alleen, dan verlang ik naar mensen.’ Jellema ervaart keer op keer zijn ‘onmacht gedichten te schrijven en de onmacht leraar te zijn, de onmacht vrienden te maken en contacten te leggen. Het lijkt of alles tot mislukking gedoemd is. Of alles wat ik benader zich terugtrekt, van vorm, kleur betekenis, zin en doel verandert, zodra ik er een vinger naar uitsteek.’ Jellema is in diepste wezen homo, maar kan toch ook van een vrouw houden. Hij wordt vooral in zijn jonge jaren heen en weer geslingerd tussen zijn verlangen het leven te delen met een man dan wel met een vrouw en daarmee een gezin te stichten. Op 3 juli 1963 noteert Jellema: ‘ik moet kiezen of voor Joos of voor Henk. Ik houd van Joos, ik ben niet verliefd op haar. Ik zou met haar kunnen trouwen en ons beider bestaan zou daarmee een nieuwe zin krijgen.’ En: ‘Ik houd van Henk. En deze liefde is anders. In deze liefde ervaar ik geen innerlijk isolement.’ Jellema heeft een complex karakter en het kost hem grote moeite in harmonie te zijn met zichzelf en zijn omgeving. Ook zijn moeizame relatie met zijn moeder en broers komt telkens aan de orde evenals zijn verhoudingen met mannen: onder meer Hans-Hermann (Jellema’s grote onbeantwoorde liefde uit zijn Amsterdamse jaren) Theo, Klaas en Henk. Jellema droomt veel, hij beschrijft zijn dromen vaak tot in details. Wat er in doorklinkt is zijn onvermogen om zich echt aan iemand over te geven. En zijn voortdurende faalangst op literair gebied. Zijn innerlijke strijd om zijn gedichten gepubliceerd te krijgen en zijn twijfels of hij ooit een goed dichter zal worden. Op 1 november 1973 noteert Jellema: ‘het zou misschien goed zijn, als ik mij onder psychiatrische behandeling stelde. En: ‘Ik ben een autistisch kind. Ik zal nooit een goed dichter worden, altijd een kleine knoeier, een peuteraar. Want ik leef niet uit ideeën, ik wil gestreeld worden. Ik heb geen warmte.’ Het schrijven van zijn dagboeken is voor Jellema een manier ‘om hoofd, hart en lijf niet te veel uit de maat te laten lopen’ en om orde te scheppen in zijn gekwelde geest. Maar hij kan zich ook onbekommerd aan ‘een dolce far niente overgeven en dat is lezen, schrijven en kijken en alleen zijn in een heel rustige, heel mooie omgeving.’ Tot slot schrijft Gerben Wynia in de verantwoording: ‘Zo geven dus de dagboeken in de eerste plaats een indringend beeld van Jellema’s gedachteleven. Centraal staat de zelfanalyse, de reflectie op het persoonlijk wel en wee. Veel voorkomende thema’s zijn: de worsteling met zijn homoseksualiteit (zijn ‘anders-zijn’, zijn ‘zo-zijn’ zoals hij het betitelt), de verre van harmonieuze relatie met zijn dominante moeder, zijn slapeloosheid en buien van depressiviteit, de onzekerheid over de waarde van de eigen poëzie (‘Is het wel wat?’), het geluk en ongeluk in de liefde.’ En: ‘Het contact met de ander, je gekend en begrepen weten, lijkt onmogelijk; een zelfbeeld hebben en dat aanvaarden lijkt een onbereikbaar ideaal. In ‘September op de rivier’ vergelijkt hij zijn leven met een rietstengel: ‘Een rietstengel die op drift is geraakt,/verloren, maar zonder gevaar:/mijn leven, en ik kijk ernaar/alsof ik het zelf heb losgemaakt.’ In 1989 verhuist Jellema van Groningen naar Leens. Ruim dertien jaar zal hij daar samen met Klaas Noordhuis wonen. Het zijn jaren van geluk en harmonie. Oogstjaren noemt Jellema ze. Op 7 februari 2003, in de wetenschap dat hij ongeneeslijk ziek is, treedt Jellema in het huwelijk met Klaas Noordhuis. In de vroege ochtend van maart 2003 overlijdt hij, zesenzestig jaar oud. Hij wordt in besloten kring begraven op de plek die hij zelf uitkoos: de wierde van Saaksum, de begraafplaats naast het kerkje. De zon schijnt, de hemel is blauw. Cor is terug in het land, het ‘Hoge Land’, van zijn voorvaderen. Op de grafsteen deze woorden van zijn hand: ‘en wij zijn hier om het te noemen tot wij niet meer zijn.’


 


Ellen de Jong   2011


 


ISBN 978 90 214 35169