Grøndahl, Jens C. 2009

‘Over een uur ontluiken de bomen’: memoires van Jens Christian Grøndahl


 De Deense schrijver Jens Christian Grøndahl is een succesvol schrijver. In romans als ‘Stilte in oktober’, ‘Indian summer’ en ‘De tijd die nodig is’ probeert hij altijd de motivaties en gevoelens  van zijn personages te ontrafelen en stelt vragen als: Hoe kwam het dat een liefde niet tot bloei kwam en waarom ging een zoon de foute kant op? In Grøndahls memoires onder de titel ‘Over een uur ontluiken de bomen’, vertaling Annelies van Heest, uitgave Meulenhoff, is hij iets over de helft van zijn leven. Openhartig en in een dichterlijke, fijnzinnige taal schrijft hij over zijn ouderlijk huis met een vrijgevochten moeder en een vader die zich opofferde voor het gezin dat ook nog een zus en een broer telde. Die opofferingsgezindheid hield hij, na de scheiding van zijn vrouw, tot in het extreme vol. Grøndahl had geen slechte jeugd maar voelde zich wel een eenling en miste vooral de harmonie in zijn overigens creatieve familie die ook een bijzondere opa en oma telde. Grøndahl beschrijft zijn herinneringen aan zijn jeugd en het leven dat hij daarna leidde tot aan zijn debuut als schrijver in 1985. Hij had geen saai bestaan, hij schreef romans, had vele opwindende liefdes, hij zag zijn zoons uit zijn eerste huwelijk opgroeien en kreeg later opnieuw kinderen. ‘Met een beetje geluk en voorzichtigheid ben ik precies even over de helft van mijn leven voordat ik hoe dan ook te gronde ga. Misschien is dit een goed moment om te kijken en even stil te staan bij hoe ik door de helft van de eerste helft ben gekomen. Hoe ik verdwijn en weer opduik in nieuwe afschaduwingen van dezelfde verwondering over waar ik eigenlijk naartoe op weg was.’ Grøndahl beschrijft hoe zijn behoefte aan eenzaamheid al zolang hij zich kan herinneren onafscheidelijk is van de drang om zich te uiten: de zin in taal. ‘Schrijven is voor mij nooit iets anders dan plezier geweest. Tegenwoordig is het niet anders dan het was toen ik mijn eerste gedichten schreef. De spanning als je ziet hoe de woorden met hun tentakels van letters naar elkaar grijpen, hoe ze zich aaneen vlechten en een net vormen waarin zich misschien iets zal laten vangen.’ Grøndahl gaf als twaalfjarige zijn eerste interview als schrijver. Hij maakte vanuit zijn geboorteland Denemarken vele reizen, onder meer naar Jeruzalem waar hij in een kibboets werkte en de nodige avonturen, ook op amoureus vlak, beleefde. Grøndahl is gefascineerd door het Jodendom en zal dat zijn leven lang blijven. Hij bewaarde ook talloze brieven opdat zijn herinneringen niet zouden vervliegen. ‘Als ik probeer mijn jonge jaren opnieuw te beleven, zijn ze mijn enige houvast. De adressen op de enveloppen en de stempels op de postzegels helpen me al herinneren waar en wanneer, maar ze herinneren me er ook aan hoeveel ik vergeten ben. De brieven brengen niet alleen herinneringen maar ook verbazing en mijmeringen over vragen die ik in mijn gebrekkige geheugen tevergeefs probeer te beantwoorden.’ Op een zeker moment tijdens zijn levensreis vatte Grøndahl liefde op voor het regisseren van films en wilde naar de filmacademie in Kopenhagen. ‘Maar ik wist niet dat ik romans zou gaan schrijven in plaats van films regisseren. Ik bleef dichtbundels naar uitgevers sturen en die weer terug krijgen, terwijl ik tegelijkertijd probeerde uit te vinden wat ik eigenlijk achter een camera te maken had.’ Dat regisseren werd niets, gelukkig wel het schrijven, al ging dat niet zonder slag of stoot en was hij vaak onzeker als beginnend dichter en werd hij regelmatig ‘afgeleid’ door een liefdesrelatie die hem totaal in beslag nam. Toch komt er elke keer weer een vrouw in zijn leven: ‘Over een uur ontluiken de bomen, over een uur is het lente.’ Ik zat op de achterbank van een auto op weg van Tirol naar Italië. Het was het eind van de winter van 1984 en ik had net afscheid genomen van de filmacademie. Naast me zat Rosa.’ Toch ging ook die liefde mis, maar, schrijft Grondahl: ‘In maart ontmoette ik de vrouw met wie ik de volgende veertien jaar zou doorbrengen en op een koude avond in december stonden we buiten het Rijkshospitaal met twee mozesmandjes. In elk daarvan lag een pasgeboren jongetje. Dit boek is aan hen en aan hun twee kleine zusjes opgedragen. Het zal hun misschien een indruk geven van wat voor iemand ik was voordat ik vader werd.’ In het slot van zijn boek bedankt Grøndahl zijn helaas te jong overleden vriend en criticus Michaël Zeeman: ‘Ik heb het aan hem te danken dat mijn boeken in zijn land worden gelezen en geapprecieerd.’ De laatste regels van Grøndahls memoires zijn zo mooi van taal dat ik ze de lezer niet wil onthouden: ‘Het is stil in huis en buiten. Een nachtvlinder slaat zijn vleugels tegen de lampenkap. Er komt een moment dat er niets meer te doen is, maar tot dan toe is dat er wel. Er zijn boeken te schrijven, en er is de liefde. Gelukkig heeft die me altijd kunnen storen. Als ik mijn boeken niet had geschreven, zou het misschien leeg aanvoelen om vijftig te worden, maar omdat ik ze heb geschreven, kan ik zeggen dat ze eigenlijk niets te betekenen hebben. Nee, dat is fout. Maar ze zouden niets te betekenen hebben als ik niet al sinds mijn vijfentwintigste steeds opnieuw midden in een zin was gestoord.’


 


Skagen, augustus 2009


 


Ellen de Jong


 


ISBN  9 789029 086721