Swanborn, Peter 2010

Ontroerende Dichtbundel van Peter Swanborn: ‘Tot ook ik verwaai’

Peter Swanborn is schrijver en literair medewerker van de Volkskrant. Zijn gedichten en artikelen verschenen onder andere in De Gids, Poëziekrant, De Zingende Zaag en het tijdschrift Tortuca, waarvan hij sinds 2006 redactielid is. Swanborn is als tekstschrijver en artistiek leider verbonden aan Nieuw Muziektheater Rotterdam. Zijn poëzie is in meerdere talen vertaald. ‘Tot ook ik verwaai’, Monument voor een dementerende moeder, uitgave Podium, is de tweede bundel van hem. In zijn debuut ‘Bij het zien van zijn lichaam’, in 2008 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs, handelden een aantal gedichten over een zieke moeder. In deze tweede bundel werkt Swanborn dit thema uit en geeft hij een indringend beeld van wat dementie met een mens en zijn omgeving doet. Het is een gedichtenbundel met een ontroerende inhoud. Stuk voor stuk verwoorden ze wat er door er door iemand heen gaat als dementie bij een geliefd persoon, in dit geval een moeder, het laatste woord heeft. Swanborn zegt geen woord teveel, dat is zijn kracht. Hij wijdt nergens uit en zijn poëzie ontaardt nooit in sentimentaliteit. Een puntgave bundel met gedichten in een trefzekere taal, die zonder uitzondering voor zich spreken, en nooit uitgelegd hoeven worden. Hierbij een paar gedichten die mij extra raakten, al was het moeilijk kiezen:

Wandeling

Naar buiten, zegt ze, ja graag, even een stukje lopen en dan wat nuttigen, cappuccino en bitterballen. Maar eerst naar de bramenstruik. Zijn ze al zwart? Na honderd meter schuifelen en steunen langs de vertrouwde rivier, de berm vol onbenoembare bloemen, klinkt angstig: jij weet waar we zijn, hè? Terug, van boom naar boom, wachtend tot weer op adem, is de gedachte aan bramen en bitterballen lang vervlogen. Hier is de deur, de lift, de gang, eindelijk binnen, jas uit en dan de vraag: zeg, ik zou zo graag even naar buiten.

Naam

Ik zie hoe ze mij negeert, nauwlettend Vanuit ooghoeken volgt, zich afvraagt Wat of waarom die man in haar huis. Toch vraagt ze niet wie ik ben, waarom ik kasten open, jassen lucht, ongevraagd post opruim, schoonmaak, thee zet. Ben ik een dokter, een klusjesman, een zoon misschien? Ze spreekt me aan met u, je weet maar nooit, en glimlacht beleefd. Ik speel mee, alstublieft mevrouw, uw thee en schrik als ze vraagt wie dat is, die foto, die vrouw met een kind op de arm.

Plafond

Wat ziet ze toch? Een vlieg Of enkel schijnsel en schaduw Vage lijnen op een grauwe muur? Of vergis ik mij en ziet ze niet, maar wordt gezien, vanaf het plafond, door haar geest opgestegen, klaar om te gaan. Of is het nog anders en zien ze elkaar, spreken en lachen zonder geluid, spelen ik zie, ik zie. Maar wie niet ziet, dat ben ik.

Gebed

Kijk haar aan en wil niets liever dan zien wat zich niet laat zien, horen wat ik niet kan horen. Pak haar hand en smeek: keer terug, doe open, geef antwoord, hou me voor de gek, doe alsof. Maar wie zwijgt, geeft niet op. Ze tilt haar arm, opent een oog. Alles is daar. Ik kan er niet bij. Ellen de Jong