O’Farrell, Maggie

‘Het verdwenen leven van Esme Lennox’

Iris Lockhart (35) heeft een oma, Kathleen Elizabeth Lockhart, oftewel Kitty. Op een dag wordt Iris gebeld door iemand uit een ‘kliniek’. Ze verstaat het woord maar net. Een notaris wijst Iris aan als familielid, ‘met wie contact opgenomen moet worden in verband met zaken die betrekking hebben op een zekere Euphemia Esme Lennox, Kitty’s zus.’ Iris reageert boos: ‘Ze heeft geen zus.’ Zo begint de roman ‘Het verdwenen leven van Esme Lennox’, uitgave Artemis & co, met een mysterie dat pas op het verbijsterende einde van de roman opgehelderd wordt. Esme en haar ouder zus Kitty, Iris’ grootmoeder, brengen hun jeugd door in Schotland. Hun ouders zijn conservatief en streng. Esme met haar vrijgevochten en rebelse karakter botst voortdurend met haar ouders. Tussen haar en Kitty ontstaat pas later rivaliteit als James in het spel komt met alle afschuwelijke consequenties vandien… Esme wordt wreed behandeld door deze James die op haar verliefd is en niet op zus Kitty. Zeer aangrijpend beschrijft O’Farrell de scène waarin Esme bruut ontmaagd wordt, waarna ze totaal overstuur raakt en alleen nog maar kan schreeuwen en schreeuwen. Haar ouders sturen haar naar een psychiatrische inrichting daar ze de familie-eer volgens hen op grove wijze heeft geschonden. In de inrichting krijgt Esme een kind dat haar afgepakt wordt. Hartverscheurend noteert O’Farell: ‘Ze grist het kind uit de handen van de verpleegster. ‘Nee,’zegt ze. ‘Nee.’ Ze glijdt met hem van het bed en haar knieën begeven het, maar ze klemt de baby tegen haar borst en kruipt weg. ‘Toe nou, Euphemia,’hoort ze de verpleegster achter zich zeggen, ‘wees niet zo ongehoorzaam, geef me het kind.’ Esme zegt dat ze dat niet doet, geen sprake van: ‘Blijf uit mijn buurt.’ De verpleegster grijpt haar arm. ‘Nou moet je goed luisteren,’ begint ze, maar Esme draait zich om en stompt haar vol op haar oog. Ruim 60 jaar lang zit Esme opgesloten als de inrichting wordt opgeheven. Noodgedwongen moet Iris nu contact opnemen met Esme en dan ontvouwt zich heel subtiel het afschuwelijke familiedrama waarin Kitty en de ouders een verraderlijke rol spelen. En Iris, een aanverwante ziel? van de ene verbazing in de andere valt als Esme een tip van de sluier oplicht… Een van de meest aangrijpende scènes komt tegen het einde aan de orde en wel als Iris Esme meeneemt naar Kitty en oog in oog met haar staat en uitroept: ‘Ik ben niet degene geweest die het gedaan heeft. Niet ik. Ik heb het niet afgepakt. Waarom zou ik het gewild hebben? Het idee! Maar goed, het was wel het beste. Dat moet je toegeven. Vader vond dat ook, net als de arts. Ik weet niet waarom je gekomen bent, ik weet niet waarom je hier bent en me zo aankijkt. Het was van mij. Het is altijd van mij geweest. Dat kun je bij iedereen navragen. Ik heb het niet afgepakt,’zegt ze heel duidelijk. ‘Dat heb ik niet gedaan.’Aan de andere kant van de kamer haalt Esme haar handen uit elkaar en zet ze in haar zij. ‘Maar ik weet dat je dat wel hebt gedaan,’ zegt ze. De rekening wordt vereffend. O ‘Farell windt er nu geen doekjes meer om en besluit met: ‘Ze nemen Esme mee, ze trekken haar van de bank en proberen haar hand los te maken van die van Iris. Maar Iris laat niet los. Ze houdt de hand nog steviger vast. Ze zal met de hand meegaan, zal hem volgen, door het wit, door de menigte, de kamer uit, de gang op en verder.’

Ellen de Jong