Mortier, Erwin

‘Godenslaap’, fenomenale roman van Erwin Mortier

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier (1965) won met zijn roman ‘Godenslaap’, uitgave De Bezige Bij, de Ako Literatuurprijs 2009. Hoofdpersonage Helena Demont is een hoog bejaarde ziekelijke vrouw die terugkijkt op haar leven. Ze voert hele gesprekken met Rachida, haar verzorgster, steun en toeverlaat die zij als geen ander om zich heen kan velen. Hélène was als kind al halsstarrig en ze lag dan ook voortdurend in de clinch met haar dominante en aan stemmingen onderhevige moeder die niets van haar dochter begreep. Ze vond dat Hélène teveel boekenwijsheden verkondigde. Taal speelt een belangrijke rol in Hélènes leven, ze ‘hunkert slechts naar een oneindig lange zin, die al wat er is in zich opneemt, zoals een hofdame uit de pruikentijd, in wier lokken een armada van parels kapseist, haar talloze rokken optilt terwijl ze de trappen van de opera betreedt – of de ladder naar het schavot’. Hélènes vader is een zachtaardige man die niet opgewassen is tegen zijn vrouw en boer Edgard is homoseksueel en de lieveling van haar moeder. Mortier beschrijft hoe het Hélène, haar moeder en broer verging tijdens de jaren van de Eerste Wereldoorlog die ze doorbrachten in Noord-Frankrijk. En hoe Hélène haar grote liefde Matthew Herbert, een Engelse soldaat en fotograaf, ontmoette en met hem trouwde, hoe zeer ze hem aanbad en hoe haar wereld instortte toen hij stierf. In wonderschone taal schrijft Mortier: ‘Kon ik zijn lichaam maar weer tevoorschijn wrijven, het uit de lucht zelf boetseren met al zijn texturen en volumes. De verglijdende spieren onder zijn bleke huid, wanneer hij zijn billen opspant, de holte in zijn flanken waarin ik mijn vuisten kan leggen, en zijn blik, zijn gitzwarte blik in die smalle ogen, vernauwd door het plezier terwijl we die ochtend met de kussens vechten, en om en om tollen op het bed – zijn hals, zijn kin, armen, benen, okselhaar, zijn ballen, zijn kont, zijn lach, en zijn hoofd, dat in de vruchtvliezen van de lakens die ons omhullen op mijn buik rust, meedeinend op mijn adem.’ En: ‘Kon ik maar dat ene ogenblik binnen gaan en blijvend opgaan in de aanblik van zijn borstkas, zijn romp, zijn benen.’ Er is ook nog een dochter in het spel, maar daar heeft Hélène een uitermate stroef contact mee. Terugblikkend op haar gestorven broer Edgard die van jongens hield en zelfs een oogje op haar man had, overdenkt Hélène: ‘Hij pronkte graag met zijn lichaam, ook voor mij, op zijn kamer, na het zwemmen of her roeien, terwijl hij quasi terloops zichzelf in de spiegel bewonderde maar zich evengoed verlustigde in mijn eigen, niet eens verholen adoratie.’ Vervolgens betrekt ze Rachida bij haar overpeinzingen: ‘Vrouwen hebben geen lichaam, Rachida kind. Wij zijn wandelende dooierzakken die als bij wonder mannenlichamen uit hun vliezen persen doordrongen van een haast wiskundige scherpte, een euclidische perfectie, tot in hun vezels verzadigd van rechtlijnigheid en puntige concentratie – terwijl ik, ik ben de zee, en jij ook, en alle vrouwen. zandbanken waarop zonen en minnaars schipbreuk lijden. Stroken modder van het soort waaruit een man zich alleen kan bevrijden door er een van zijn laarzen in achter te laten.’ En: ‘Ik wilde dat hij nog leefde, dat ik bij hem op het balkon kon zitten, omringd door die jongens als speelse katten in de kussens op zijn bank. Dan zou ik gadeslaan hoe hij naar me luistert, met een verveeld plezier, met spotlichtjes in de ogen of niet.’ Voortdurend denkt Hélène na hoe ze de werkelijkheid om haar heen in woorden kan vatten. Mortier beschrijft niet alleen de persoonlijke belevenissen van Hélène maar de lezer krijgt ook een beeld van de Belgische historie en de invloed van de Eerste Wereldoorlog op dat land, Hélènes onduidelijke vaderland.
In bloemrijke scènes leven we mee met de verwoestingen die de oorlog op vele fronten heeft aangericht. Toen die voorbij was neemt Matthew Hélène vaak mee op zijn tochten: ‘Hij nam me vaker mee op zijn tochten, toen de oorlog voorbij was en hij meticuleus documenteerde wat ik de stolling noem, de grote vereffening, in alle opzichten, na de ravage en de euforie van de vrede. Het gladstrijken van de getormenteerde bodem. De kerkhoven waar de gevallenen in de aarde steeds strakker in het gelid kwamen te liggen, ook in de dood nog gedisciplineerd. De houten kruisen die door gepolijste stenen zerken vervangen werden in lieflijke dodentuinen onder de gedempte melancholie van treurwilgenlover of dennennaalden – het kwam op me over als een wrang eufemisme, om niet te zeggen een trieste paradox, dat men om de herinnering aan de vernieling en de zeeën van bloed levendig te houden gazons spiegelglad maaide, bedaarde tempels optrok, treurende standbeelden bouwde, eeuwig likkende vlammen liet branden.’
Va A-Z is Mortiers roman een juweel van beeldende taal elke zin verdient het zorgvuldig geproefd te worden.

Ellen de Jong