Groen-Lengkeek, Bep

De hel van Tjideng: een persoonlijk verslag van een jappenkamp

Mevrouw Bep Groen-Lengkeek was samen met haar dochtertje geïnterneerd door de Japanse strijdkrachten in de Tweede Wereldoorlog. Zij heeft haar ervaringen opgetekend en verteld aan haar nicht, Elise G. van der Stouw-Lengkeek, die het verhaal bewerkt heeft. ‘In het herdenkingsjaar 1995, vijftig jaar na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog, heb ik samen met Bep Groen-Lengkeek gewerkt aan de uitave van haar herinneringen als Prisoner of War, geïnterneerd in het beruchte Tjidengkamp te Batavia, dat onder kampcommandant Sonei van de ene op de andere dag veranderde in een ware hel’, aldus Lengkeek in het voorwoord van het boek ‘De hel van Tjideng, een persoonlijk verslag van een jappenkamp’, uitgave Mistral. Het boek bevat onder meer ook foto’s, brieven en een plattegrond van het vrouwenkamp Tjideng.
15 augustus 2010 is het vijfenzestig jaar geleden dat de Tweede Wereldoorlog in Azië door de onvoorwaardelijke capitulatie van Japan ten einde kwam. Babs Groen noteert in het nawoord: ‘Het is in mei 2010 alweer 15 jaar geleden dat mijn moeders herinneringen aan de tijd in kamp Tjideng in boekvorm zijn verschenen. Ik ben Elise Lengkeek nog steeds dankbaar dat zij samen met mijn moeder De hel van Tjideng heeft geschreven.’ Bep Groen schrijft: ‘Alles wat in dit boek staat, is echt gebeurd. Toen ik ruim tien jaar geleden aan mijn nicht Elise van der Stouw-Lengkeek mijn kampverhaal liet lezen, zei ze: ‘dit zou u moeten uitgeven.’ Maar de vorm waarin ik mijn herinneringen had neergeschreven leende zich niet direct voor publicatie. Bovendien was ik daar zelf toen nog niet aan toe. Toen mijn oudste kleindochter Ingeborg een keer tegen mij zei: ‘Oma, als u het opgeschreven hebt, hoeft u er niet steeds meer aan te denken, want het papier bewaart het wel voor u’, wist ik dat ze gelijk had en ben gaan schrijven. Nu, vijftig jaar na dato, is dat moment aangebroken.’ Wat Bep Groen en duizenden anderen moest meemaken in het jappenkamp Tjideng is niet te bevatten. Ze is pas 21 jaar oud als ze in 1939 naar Nederlands-Indië reist, haar verloofde Dick Groen achterna. Twee jaar later komt ze, samen met haar pasgeboren dochtertje Babs, in Tjideng terecht, het wreedste kamp op Java. Duizenden vrouwen en kinderen bij elkaar gepropt. De mannen zaten in aparte kampen. Bovendien werden kinderen van hun ouders gescheiden en speciaal van hun moeder – eerst alleen jongens van 16 jaar en ouder, later die van 14 en 15, en tenslotte jongetjes van 10 jaar. Deze kinderen kwamen dan dikwijls zonder broertjes of vader alleen in een mannen- of jongenskamp terecht en moesten dan maar zien zich staande te houden. De beruchte kampcommandant Sonei had in Tjideng de leiding. Hij was maanziek en deed de vreselijkste dingen. Zo moesten de vrouwen en kinderen een aantal keren per dag op appèl: dat betekende uren op blote voeten in de brandende zon staan en maar buigen. Sonei deelde de wreedste straffen uit, hij ranselde er naar willekeur op los en als iemand iets deed wat niet naar z’n zin was moest het hele kamp boeten en kregen ze nog minder te eten. Lengkeek: ‘De honger heeft zich een gat in m’n buik gegraven. Ons dagelijkse rantsoen is teruggebracht tot een afgestreken pollepel gekookte rijst, één theelepel suiker en een stukje brood.’
Persoonlijke noot: Mijn moeder en ondergetekende, drie jaar oud, zaten ook in Tjideng. Zij vertelde mij na de oorlog onder meer over Sonei en zijn afschuwelijke daden. Ik herinner mij er weinig van maar als mijn moeder het over hem had kwamen er toch bepaalde beelden bij me boven en niet de prettigste.

Geloof en moed
Het was haar geloof in God dat Bep al die jaren op de been hield en maakte dat ze de strijd niet opgaf. Als op 15 augustus 1945 de Japanners capituleren en de oorlog voorbij is, noteert Lengkeek: ‘ik ben niet langer POW 3988. Ik ben Elisabeth Groen- Lengkeek, oorlogsweduwe. Een vrouw zonder man, zonder toekomst.’ (Dick overleed op 15 juli 1943). Sonei werd in 1946 geëxecuteerd. De oorlog is inderdaad voorbij maar het zijn nu de inlanders die hen kwaad gezind zijn. Op 2 december 1945 mag Bep dan eindelijk weg met haar Babs en vertrekt per boot: De Nieuw Amsterdam zal hen thuisbrengen. Ook op de (overvolle) boot is het leed nog lang niet geleden. Veel kinderen sterven alsnog onder erbarmelijke omstandigheden. Babs blijft nog net in leven. En dan komt het moment dat Bep haar familie weer terugziet: ‘Het weerzien was ontzettend fijn, maar hun wereld was de mijne niet geweest gedurende de oorlogsjaren, en mijn ervaringen kon ik niet overbrengen bij hen.’ Ze vindt gelukkig weer haar draai in het leven, maar ‘Vergéten kan ik nooit meer.’ Vergéven deed Bep wel toen ze in 1994 een Japanner ontmoette op een kerkelijke conferentie. Ze gaf hem een hand. Toen vond ze eindelijk rust. Het is een uniek en aangrijpend verslag van een vrouw en moeder die zoals Lengkeek schrijft: ‘De moed van deze moeder staat symbool voor die van al die andere moeders in Tjideng. Zij waren het goud van Tjideng. In hun kracht schuilde luister en toekomst.’ ‘Dat De hel van Tjideng ’, aldus Babs Groen in het nawoord ‘moge bijdragen aan de kennis over het verleden en de erin beschreven verschrikkelijke gebeurtenissen ons in de toekomst bespaard blijven.’

Ellen de Jong