Kessels, Marie

‘Ruw’: Indringende roman van Marie Kessels

‘Het ongeluk was op 13 januari van dit jaar. Het gebeurde zo snel dat ik er nauwelijks een herinnering aan heb. Eén verschrikkelijk ogenblik, nog voor de klap, daarna een oorverdovend geluid als van een explosie, een knal, waarin mijn pijn (die er toch geweest moet zijn) verloren ging. Botsplinters van mijn voorhoofdsbeen hebben aan allebei de kanten de oogzenuw doorgesneden,niets meer aan te doen’. Hoofdpersonage Gemma overleeft het ongeluk, waarbij de deur van een vrachtwagen in haar gezicht geslagen werd. Ze werd echter blind. Hoe het haar in haar dagelijks leven daarna vergaat vertelt Marie Kessels in haar boek ‘Ruw’, uitgave De Bezige Bij. Met een groot inlevingsvermogen beschrijft Kessels de nachtelijke tochten, want dan is het overal rustig, die Gemma, lopend met haar stok, onderneemt. Ze moet opnieuw leren ‘kijken’, dat is haar opgave wil ze zich staande houden in dit nieuwe leven met tal van obstakels en drempels die ze moet leren nemen. ‘Na mijn eerste wandelingen in april en mei, nog voordat mijn territoriumdrift opvlamde en mensenstemmen me de stuipen op het lijf begonnen te jagen, ging ik ervan uit dat de beelden die ik van mijn omgeving had ‘plaatjes’ waren zonder verband met het heden, en verder was er nog een waas van droomachtige beelden als begeleiding van alle geluiden en aanrakingen. Als ik over de brug loop, zie ik dan de brug? vroeg ik me iedere keer af, zie ik de geveltuinen, de struiken, zie ik de wilgen langs het water?’, schrijft Kessels. Ook het lezen moet Gemma zich eigen leren maken. Het brailleschrift vraagt om een fikse portie geduld; Gemma leert de tijd te nemen! Door haar blindheid bekijkt ze ook het verleden anders. Prachtig is het hoofdstuk ‘Herinnering’ waarin Kessels de moeder, met wie Gemma een moeizame relatie heeft, portretteert en Gemma constateert: ‘Het is moeder nooit gelukt om de mensen van haar te laten houden. Behalve kleine kinderen. De kinderen waren dol op haar, allemaal.’ Kessels taalgebruik is een hoofdstuk apart. Er zijn passages die ik een paar keer heb gelezen omdat ze het lot van een blinde zo treffend verwoorden, zonder dat ze ooit larmoyant worden: ‘Op straat moest ik steeds opletten bij het opzij springen op het ogenblik dat er een auto of een fietser in volle vaart passeerde, één sprong veilig op de stoep kon ook een harde knal tegen een lantaarnpaal betekenen of tegen een verkeersbord of stoplicht, dat altijd zo’n dertig, vijfendertig centimeter van de stoeprand in de grond gestoken wordt en me daar geniepig opwacht, me aait met zijn dunne skelet, waarvan de contouren wel geen probleem zullen vormen voor de mooie behaarde oren van vleermuizen. De positie van een paal leren voorspellen of berekenen is echt langetermijnwerk en misschien niet de moeite waard zolang er in plaats daarvan ook een nieuwe route of een uitbreiding van de oude kan worden geleerd, heel onvolmaakt, steeds voorlopig. Ik moet de stad met grove wol in ruwe steken naaien.’
Terecht dat Kessels, die al dikwijls voor haar werk met verschillende prijzen werd bekroond, voor dit boek de F. Bordewijkprijs 2009 ontving.

Ellen de Jong