Kars, Theo

‘Memoires van een slecht mens’

Auteur Theo Kars (1940) schreef ‘Memoires van een slecht mens’, deel 1, 1940-1964. Uitgave Athenaeum – Polak & Van Gennep. Hij is nu 70 jaar en beschrijft in een kordate stijl, zijn jeugd en puberteit, zijn studentenjaren en zijn avonturen met het vrouwelijk geslacht en zijn, korte, dienstijd (hij simuleerde heimwee om eronder uit te komen). Uitvoerig, niet gespeend van zelfingenomenheid, verhaalt hij hoe hij opgroeit als een intelligente, gefrustreerde jongen in een kleinburgerlijk orthodox christelijk milieu. Er is weinig geld, toch vindt hij het belachelijk als z’n moeder zegt dat zijn vader en zij krom gelegen hebben om zijn gymnasiale opleiding te bekostigen. Hij haat zijn moeder en veracht zijn vader en steekt zijn minachting voor hen niet onder stoelen of banken. Hij maakt jacht op talloze prooien, zoals hij de meisjes noemt die hij gaat verleiden, en zijn erotische avontuurtjes liegen er niet om. Hij accepteert een studiebeurs maar geeft de studie op. Hij blijkt een autodidact te zijn, is literair begaafd en zuigt zich vol kennis. Hij zoekt, vindt en bewondert bekende auteurs die eveneens genotzuchtig geleefd hebben en zich daarop lieten voorstaan. Hij profiteert van de mogelijkheden waartoe de goedgelovige welvaartsstaat hem de kans geeft, steelt duizenden boeken, fraudeert met postwissels en spaarbankboekjes. Kars draagt graag zijn evangelie uit: ‘wees altijd nuchter, denk onafhankelijk, laat je niet door anderen voorschrijven hoe je moet leven, geeft zoveel mogelijk gehoor aan je drang tot genieten, en scherp je geest door te lezen wat anderen hierover hebben geschreven.’ Het boek opent de volgende regels: ‘Je karakter en aard bepalen je leven. Dat betekent niet dat je geen invloed hebt op je lot. Hoe gelukkig of ongelukkig je leven verloopt, hangt af van het zelfinzicht dat je verwerft en de bereidheid te leren van je fouten.’ Kars heeft willen onderzoeken hoe hij geworden is die hij nu is en wat afkomst, uiterlijk en fysieke gesteldheid voor invloed hadden op hem. Hij komt naar voren als een geestelijk onaantastbaar, zelfgenoegzaam persoon. ‘Ik ben eerlijk, ga mijn eigen weg, trek mij van niemand iets aan. Het laat mij onverschillig wat anderen van mij denken. Ik ben nuchter en denk na.’ Er straalt geen warmte en bezieling uit Kars’memoires, wel een koele, meedogenloze oprechtheid, waarbij je je als lezer afvraagt of hij wel een slecht mens is? Hij zélf vindt zich te eerlijk om een slecht mens te zijn, daar hij recht voor z’n raap uitkomt voor zijn levensinstelling.

Ellen de Jong