Hermsen, Joke J. 2010

‘Stil de tijd’ van Joke J. Hermsen

‘Stil de tijd, pleidooi voor een langzame toekomst’, uitgave De Arbeiderspers, opent met een gedicht van Gerrit Kouwenaar, uit zijn bundel ‘Een geur van verbrande veren: ‘Het is laat zoals ieder jaar/de tijd zit krap in zijn heden/vandaag is steeds weer geweest/steek dus het licht aan dat toekomst nog uitspaart/spreek het brood aan dat nog niet doof is/maak de taal waar achter zijn tekens/spel het vlees, stil de tijd, leef nog even-
Joke J. Hermsen pleit voor een leven dat niet voorgeschreven wordt door de klok. De moderne mens wordt geregeerd door de meetbare tijd, en dat leidt tot rusteloosheid, overspannenheid, burn-out en allerminst tot creatief denken èn handelen. ‘We moeten’, aldus Hermsen, ‘het lef hebben die tijd te negeren en ons over te geven aan ‘de tijd als duur’, ‘de innerlijke tijd’.’ In haar woord vooraf: ‘In de luwte van de tijd’, beschrijft ze hoe ze in Frankrijk bij het wakker worden niet meer weet welke dag het is: ‘Hoewel ik ‘s ochtends niet weet welke dag het is, voelt deze dag wel als van mij. In plaats van door afspraken en zenuwachtige blikken op de klok opgedreven te worden, voel ik me min of meer samenvallen met een innerlijke tijd. Pas door uit de agenda van de wereld te stappen, kan ik met andere woorden zoiets als een eigen tijd betreden.’ En ze onderschrijft van harte William Faulkners’ uitspraak: ‘Dat de ware tijd pas tot leven komt, als de klokken zwijgen’. Tot rust komen, zelfs je vervelen is er tegenwoordig niet meer bij. Als we thuis komen laten we ons afleiden door onder meer radio, televisie en computer en ‘ontfocussen we niet meer en ontspannen we niet meer.’ En schrijft Hermsen: ‘We zijn al met al behoorlijk ver verwijderd van de klassieke filosofische gedachte dat rust en nietsdoen de grondslagen van een beschaving zijn. Leegte, rust en nietsdoen zijn geen inspiratiebronnen meer, maar de angstaanjagende voorboden van een tot mislukking gedoemd bestaan in de marges van de maatschappij.’ In ‘Stil de tijd’ komt onder meer een essay over ‘Het denken van Ernst Bloch’ aan de orde. De centrale gedachte van deze Joods-Duitse filosoof is ‘Tijd als hoop’, ‘dat betekent voor hem’, schrijft Hermsen, ‘zoveel als de actualisering van het nog onvoltooide, ofwel het scheppen van ruimte voor nieuwe mogelijkheden.’ Tijd schept ruimte om tot verandering, verbetering en vooral herinterpretatie van het reeds bestaande te kunnen komen.’ Van Bloch is ook de veelzeggende uitspraak: ‘Pluk de eeuwigheid in het ogenblik’. Als Hermsen een aantal dagen voor werk in Athene verblijft wordt ze ziek: ‘Vijf dagen doodziek op bed liggen, doet ook iets met je ervaring van tijd. Het is net alsof de tijd langzaam dooft en een grauwe massa wordt, die geen enkel houvast of aanknopingspunt meer biedt. Het maakt niet uit of het ochtend, avond of nacht is: alle uren, minuten zijn hetzelfde. Er valt nauwelijks meer iets te onderscheiden in deze tijd. Geen vroeger of later, geen hoop op verandering, geen uitzicht, niets. Hoe het met de tijd is, zo is het met mij. Of omgekeerd. We zijn blijkbaar onlosmakelijk met elkaar verbonden, de tijd en ik. Misschien bedoelde Augustinus dat wel toen hij schreef dat hij zichzelf, zijn eigen ziel, peilde, als hij de tijd peilde.’
Een leerzaam en goed gedocumenteerd boek waarin Hermsen aan de hand van het gedachtegoed van diverse schrijvers en kunstenaars haar visie geeft op het verschijnsel tijd. En vragen stelt als: van wie is de tijd en waarom lopen wij er hijgend achteraan? Antwoord: ‘Er is een sterk vermoeden gerezen dat er – hoe onmeetbaar ook- een andere tijd achter de klok verborgen ligt, die onze aandacht verdient, omdat juist die tijd onze creativiteit en ons vermogen tot vernieuwing in zich draagt. Die aandacht komt vrij op het moment dat wij ons niet langer door de wijzers van de klok laten opjagen, maar deze bij tijd en wijle stil durven zetten, zoals het devies van Kouwenaar luidde, waarmee dit boek begon: ‘Stil de tijd, leef nog even.’

Ellen de Jong