Hardy, Françoise

Autobiografie van een roemrijk vrouwenleven

‘Ik ben geboren tijdens een luchtalarm, op 17 januari 1944 rond half tien ’s avonds, in de Marie-Louisekliniek aan het begin van de rue des Martyrs in het negende arrondissement van Parijs, waar een paar maanden eerder ook een zekere Jean-Philippe Smet het daglicht had gezien, die later beroemd zou worden als Johnny Hallyday. Mijn moeder heeft me vaak verteld dat ik in mijn eerste levensmaand iedere nacht huilde en dat ze me nooit is komen troosten. Vol trots vertelde ze dat ik het na een maand had begrepen en daarna nooit meer huilde, en ze ging er prat op dat ze niet had toegegeven aan wat ze als een gril beschouwde. Ik denk dat ik toen al begreep dat hoe harder je roept, hoe kleiner de kans is dat er iemand komt, dat je je tranen moet inslikken en van niemand iets moet verwachten.’ Met deze regels begint De autobiografie ‘Françoise Hardy’, Een roemrijk vrouwenleven, uitgave Nijgh & van Ditmar, vertaling Manik Sarkar. Door het hele boek heen (364 blz.) speelt Hardy’s gecompliceerde relatie met haar moeder. Ze beschrijft hoe ze haar jeugd in Parijs beleefde, en welke rol haar vader, die van haar moeder ging scheiden, haar zusje en haar grootouders, in het gezin speelde. Hardy is als meisje erg verlegen en gevoelig en uiterst kwetsbaar. Ze kreeg allerlei complexen waar ze nooit helemaal overheen is gekomen: ‘Mijn grootmoeder deed zo vaak neerbuigend over mijn uiterlijke gebreken dat ik opgroeide in de overtuiging dat ik lelijker was dan de meeste andere vrouwen.’ Toen Hardy een jaar of twintig was wilde ze balletdanseres worden, ’maar ik werd al snel ontmoedigd door de moeilijke oefeningen en de lichamelijke pijn.’ Tot ze de muziek ontdekte: ‘Toen ik tegen het einde van de jaren vijftig aan de afstemknop van de radio draaide, ontdekte ik een station dat aan één stuk door Engelse en Amerikaanse countrymuziek uitzond, vertolkt door piepjonge artiesten met wie ik me direct verwant voelde omdat ze de eenzaamheid en de onrust van de jeugd uitdrukten in muziek die veel geïnspireerder was dan hun teksten.’ Ze ontdekte ‘dagelijks liedjes op de radio, het een nog inspirerender dan het andere, en dat zette mijn leven op zijn kop: niets anders interesseerde me nog.’ We lezen hoe ze met vallen en opstaan een ster werd - het lied ‘Tous les garçons en les filles’ maakte haar in één klap wereldberoemd - en ondanks haar succes noteert ze: ‘Ik had nooit kunnen vermoeden dat de wereld van het chanson zoveel deuren voor me zou openen, maar ook niet dat ze die direct daarna weer zou sluiten, achter de gouden kooi waarin ik, of ik wilde of niet, de rest van mijn leven zou zitten.’ Heel wat pagina’s gaan over haar ontmoetingen met beroemdheden als Mick Jagger, de Rolling Stones en Catherine Deneuve. Ook haar diverse liefdesaffaires en haar bizarre huwelijk met zanger en filmster Jacques Dutronc komen aan bod evenals haar overstelpende liefde voor haar muzikale zoon Thomas. Hardy is een rasartieste en haar leven bestaat uit veel ups en downs. Boeiend zijn haar verhandelingen over astrologie en psychologie waarvoor ze een intense belangstelling heeft. Later in haar leven heeft ze zelfs een praktijk waar ze mensen met problemen behandelt. Het boek is een fascinerend verslag van een vrouw die openhartig vertelt hoe haar gecompliceerde leven verliep: bepaald niet op rolletjes. Hoe het is om in de schijnwerpers te staan en hoe je moet omgaan met roem. Bovenal schildert Hardy haar zelfportret met vakkundige precisie en veel gevoel voor nuances. Als ze oud is geworden besluit ze haar ‘roemrijk vrouwenleven’ met de regels: ‘Als ik niet te moe ben en ik er de tijd voor heb, ga ik wandelen in het Parc de Bagatelle. Ik heb er vier bomen gevonden waar ik eigenmachtig vriendschap mee heb gesloten: in de eerste plaats de hulst aan een klein zijpad; verderop de treurbeuk die boven de vijver hangt en tegenover de derde staat een enorme purperen beuk aan de andere oever. Ik kom ze regelmatig begroeten en complimenteren. Als er niemand in de buurt is, sla ik mijn armen om de machtige stammen van die beide beuken heen, zodat ze me iets van hun energie kunnen geven als ze daartoe in staat zijn; en als ik weer wegga, bedank ik ze daarvoor. Maar mijn lievelingsboom staat onopvallend afzijdig en lijkt op geen enkele andere.’

Ellen de Jong