Giordano, Paolo

Formidabele roman van Paolo Giordano

Paolo Giordano (Turijn, 1982) is natuurkundige en werkt momenteel aan zijn promotie. ‘De eenzaamheid van de priemgetallen’ is zijn debuutroman, die sindsdien onafgebroken in de Italiaanse bestsellerlijsten staat. Het is ook een indringend boek dat soepel vertaald werd door Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. Uitgave De Bezige Bij. Giordano spon zijn verhaal rond twee personages: Alice, met haar begint het boek, en Mattia. Als Alice zeven jaar is krijgt ze een skiongeval. Ze haat de skilessen maar moet en zal goed leren skiën van haar vader. Ook al protesteert ze telkens weer, zijn wil is wet. ‘Alice Della Rocca haatte de skilessen. Ze haatte de wekker die ook in de kerstvakantie om half acht ’s morgens afging en haar vader die haar tijdens het ontbijt aanstaarde en onder tafel zenuwachtig met zijn been op en neer wipte, alsof hij wilde zeggen vooruit, schiet op. Ze haatte de wollen maillot die in haar dijen prikte, de skiwanten waarin ze haar vingers niet kon bewegen, de helm die haar wangen platdrukte en het gespje dat in haar kaak stak, en dan die skischoenen die altijd te strak zaten en waarmee ze liep als een gorilla.’ Na haar ongeval waarbij ze op het nippertje wordt gered blijft ze voor de rest van haar leven mank lopen. En ze gaat steeds minder eten met als gevolg dat ze anorexia krijgt. Haar middelbare schooltijd is vreselijk. Ze wordt regelmatig gepest door een paar klasgenoten met als aanvoerster de gemene Viola die haar het leven verschrikkelijk zuur maakt. Tot ze Mattia ontmoet. Mattia, die zijn psychisch gestoord tweelingzusje op een dag achterliet in een park en haar nooit meer terugvond. Sindsdien verwondt hij zich keer op keer en zit vol littekens. Als Alice en Mattia elkaar tegenkomen op een schoolfeestje en hand in hand lopen schrijft Giordano de ontroerende regels: ‘Er was een gedeelde ruimte tussen hen waarvan de grenzen niet duidelijk waren afgebakend, waarin niets scheen te ontbreken en de lucht roerloos leek, onverstoorbaar. Alice liep één stap voor hem uit en het lichte getrek aan Mattia herstelde haar cadans en deed de gebrekkigheid van haar ongelukkige been teniet. Hij liet zich meetrekken en zijn voeten maakten geen geluid op de tegels. Zijn littekens gingen schuil in haar hand en vonden er geborgenheid.’ En: ‘De middelbare schooljaren waren een open wond geweest die voor Mattia en Alice zo diep leek dat hij nooit meer zou kunnen helen. Ze waren er met ingehouden adem doorgekomen: hij door de wereld af te wijzen, zij door zich door de wereld afgewezen te voelen, en ze hadden gemerkt dat dat niet veel verschil maakte.’ Mattia blijkt een groot talent voor wiskunde te hebben en tijdens colleges in het eerste jaar van de universiteit ontdekt hij de tweelingpriemgetallen: ‘dat zijn paren van priemgetallen die vlak bij elkaar staan, zo goed als naast elkaar zelfs, want tussenin staat altijd een even getal dat ze belet elkaar echt te raken.’ Tijdens zijn onderzoek stuit Mattia op steeds geïsoleerdere priemgetallen, verdwaald in die stille, ritmische, louter uit getallen bestaande ruimte, en je krijgt het angstige voorgevoel dat de paren die je tot dan toe hebt gevonden op toeval berusten, dat elk getal in wezen voorbestemd is alleen te blijven. Mattia dacht dat Alice en hij zo waren, twee tweelingpriemgetallen, alleen en verloren, vlak bij elkaar, maar niet dicht genoeg om elkaar echt te raken.’ Dit is het thema van het boek en de eenzaamheid van Mattia grijpt de lezer bij de keel. Ook Alice is eenzaam maar toch is zij beter in staat een relatie met Mattia op te bouwen als hij wat toegankelijker was geweest. Afgezien daarvan zijn beiden zo getraumatiseerd door hun jeugd dat ze blokkeren en die trauma’s de rest van hun leven met zich meedragen. Toch houden ze van elkaar en proberen ze elkaar telkens weer te vinden. Helaas is het geluk niet voor hen weggelegd. Mattia komt er tegen het einde van het boek iets beter af, maar hoe vergaat het Alice? Dat zo’n jonge auteur zoveel inzicht heeft in de psyche van twee beschadigde kinderen is wonderbaarlijk. En dat hij de complexiteit ervan zo zorgvuldig en met een groot inlevingsvermogen onder woorden weet te brengen is helemaal een wonder.

Ellen de Jong