Zwarte-Walvisch, Klaartje de

‘Alles ging aan flarden’: Het oorlogsdagboek van Klaartje de Zwarte-Walvisch

Op 16 januari 2008 zijn twee onderzoekers van de televisieserie De Oorlog (NPS) op zoek naar geschikte, maar minder bekende elementen voor de aflevering die aan de Jodenvervolging zal worden gewijd. Een archiefmedewerker wijst op een nog onbekend anoniem dagboek. Na intensief zoeken bleek wie dit geschreven heeft: Klaartje de Zwarte-Walvisch, een joodse vrouw uit Amsterdam, naaister van beroep, die niet ouder werd dan 32 jaar. In dit oorlogsdagboek doet ze verslag van alles wat haar tijdens en na haar arrestatie in maart 1943 is overkomen. Het dagboek eindigt op 4 juli 1943. ‘Alles ging aan flarden’ is de veelbetekende titel van dit schokkende relaas. Uitgave Balans. Op 22 maart worden Klaartje en haar man Joseph uit hun huis in Amsterdam gehaald en naar de Joodse Schouwburg gebracht. Daarna werd ze gedeporteerd naar Vught, vervolgens naar Westerbork en tenslotte werd ze in Sobibor vermoord: ‘Klaartje de Zwarte-Walvisch verdween in de deportatiemachine, in de gaskamer van Sobibor, heel diep in Polen, net als 34.000 andere joodse Nederlanders’. Met haar man Joseph heeft ze nog een tijdje contact maar later verdwijnt hij ‘ergens in Polen’. ‘Dat Klaartjes dagboek grote historische betekenis heeft hoeft geen betoog – er zijn maar heel weinig uitvoerige getuigenissen van Holocaustslachtoffers op weg naar hun ondergang’. Al heeft de lezer weet van al de gruwelijke dingen die Klaartje meemaakt en die nog steeds overal in de wereld aan de orde van de dag zijn: als je haar notities leest (die ze zorgvuldig verstopte), grijpen ze je naar de keel, zo wreed en zo walgelijk sloegen de beulen toe. Klaartje is slechts gezegend met haar pen waarmee ze haar woede kon uiten: ‘Zoals men weleens onwillekeurig een stukje papier versnippert, zo werden harten en zielen verscheurd en uit elkaar gerukt. Alles ging aan flarden. Alles werd vertrapt. Elk hartje, onverschillig of het klein of groot was, werd vertrapt, besmeurd en onherstelbaar verwoest.’ Het opmerkelijkste is echter dat Klaartje dwars door alle ellende heen zo lang optimistisch bleef. Deze strijdbare en moedige vrouw deed zelfs spelletjes met haar kampgenoten en ze maakten samen versjes om elkaar te troosten. Ze hoopt lange tijd dat alles eens over zal zijn. ‘We zouden toch niet altijd in deze poel van ellende blijven? Op deze hoop leefden we voort en spraken elkaar moed in.’ Van die hoop bleef geen sprankje meer over naarmate de dagen zich aaneenregen tot één grote reeks van de meest afgrijselijke gebeurtenissen: de kindertransporten, de behandeling van zieken en bejaarden, de eindeloze uren op appel: mensonterende taferelen, dag in dag uit. Klaartje schrijft: ‘Is het overdreven als ik beweer dat alles wat ik hier schrijf de werkelijkheid nog lang niet nabij komt? Alleen zij die dit leed persoonlijk hebben meegemaakt hebben, zij zullen het begrijpen. En zij die het niet meegemaakt hebben en dit eens zullen lezen, zij moeten het begrijpen.’ Ze hoopte vurig dat: ‘alles wat ik hierin heb geschreven nog eens de buitenwereld zal bereiken.’ Die wens is uitgekomen, dankzij haar.

Ellen de Jong