Siebelink, Jan, 2010

Meeslepende roman van Jan Siebelink

Auteur Jan Siebelink, onder meer bekend van de bestseller 'Knielen op een bed violen' (AKO Literatuurprijs 2005), beschreef in zijn roman 'Suezkade', uitgave De Bezige Bij, hoe het leven van zijn hoofdpersoon, de zesentwintigjarige Marc Cordesius, verliep vanaf het moment dat hij docent Frans op het Haagse gymnasium Descartes, werd. Als hij de eerste dag op weg is, van zijn huis aan de Suezkade, naar zijn school en een straat oversteekt, ziet hij een meisje dat met een schooltas op haar rug over plassen water springt. 'Ze had mooie volle lippen die volmaakt op elkaar sloten en bij een glimlach krulden ze aan de uiteinden om. 'Een meisje van oosterse, zuidelijke afkomst', schrijft Siebelink. Marc voelde zich direct verbonden met haar. Ze heette Najoua Azahaf, ze was Marokkaanse en ze ging voor het eerst naar de middelbare school. Tot Marcs grote geluk komt ze bij hem in de klas. Hij is als een dandy gekleed, heeft uitermate goede manieren en wint al snel het vertrouwen van de rector als wel van de meeste collega's. Hij krijgt zelfs een eigen lokaal dat hij helemaal inricht volgens zijn eigen smaak. Het lesgeven gaat hem gemakkelijk af, maar met sommige van zijn collega's verloopt het contact stroef. Ze kunnen Marc niet plaatsen en ze zijn vaak jaloers op hem. Marcs leven echter wordt beheerst door Najoua. Als zij anorexia krijgt en voortdurend overgeeft en tenslotte niet meer op school verschijnt ontwikkelen zich dramatische gebeurtenissen die Siebelink treffend beschrijft. Zowel Marc als Najoua hebben een traumatisch verleden. Vooral dat van Marc doet Siebelink uit de doeken: zijn moeder wordt ontvoerd terwijl hij als klein jongetje daarvan getuige is. Hij ziet haar nooit meer terug: 'Zij is nooit teruggekomen. Men heeft nooit meer iets van haar vernomen. De politie heeft geen aanknopingspunten. 'Vrouw vermist'. Hij heeft het afgeleerd kranten te lezen, tv te kijken. Marc probeert niet te denken.' En schrijft Siebelink: 'Zij hoorden op een natuurlijke, vanzelfsprekende manier bij elkaar. Het was zijn mamma die dit meisje had gestuurd. Daar geloofde hij heilig in.' Het verhaal blijft spannend tot en met de onverkwikkelijke affaire met de rector toe en voert geleidelijk naar het fatale moment waarop Marc ziet dat zijn geliefde lokaal totaal is verwoest. Ook Marcs liefde voor Najoua blijkt fataal. Hij ziet geen kans zich aan haar over te geven, terwijl hij niets liever wil. En zij komt haar ziekte niet te boven. Siebelink schrijft de ontroerende passage als Marc niet in staat is met haar de liefde te bedrijven en haar kamer verlaat: 'Hij ging, op de overloop, met de rug naar haar toe staan. Slechts enkele meters scheidden hen van elkaar. Ze gaf opnieuw over en donkere, verscheurende geluiden maakten zich van haar los, vulden het trapportaal. Meer dan ooit voelde Marc Cordesius zich verweesd, geïsoleerd, omcirkeld, en onderging een zo onsamenhangende indruk van de wereld dat ze hem geen enkele steun meer bood. Meer dan ooit voelde hij zich verbonden met die andere wees, onder hem. Haar terugval of inzinking benadrukte wat hij vanavond extra had gevoeld: de afwezigheid van zijn moeder. Hij droeg haar mee als een gebochelde zijn bochel. Sterker dan ooit had hij zich de gevangene gevoeld van omstandigheden waarop hij alle greep kwijt was.' In de epiloog laat Siebelink nog wat licht schijnen op bepaalde omstandigheden die tot het prachtige slot leiden. Ellen de Jong