Fritschy, Fred



Het grootste atelier van de wereld


In een voormalig schoolgebouw in Amsterdam heeft Fred Fritschy sinds 1970 zijn atelier. Er springt een vuilnisbakkenras hondje kwispelend tegen me op, overwegend zwart getekend met wat verspreide bruinige vlekken."Maxi, heet ze, ze is negen jaar oud maar zo pienter als wat."
Freds atelier is warm en knus, er hangt niet die laboratoriumsfeer die je nogal eens inademt. Een verweerde smeedijzeren kroonluchter met kaarsen hangt boven een van zijn werktafels. Van zijn hand zijn de schetsjes van klei in de vorm van menselijke figuren, die op de vensterbank zijn opgesteld:
"dit atelier is helemaal mij."
Voor ons op de tafel een mollige vrouw in speksteen: "een leuk wijffie."
Hij maalt zelf zijn koffie, lekker ouderwets, heerlijk geluid. "Ik ben meestal om zeven uur op, de dag is zo vertrokken."

Fred is 71 jaar, geboren en getogen Amsterdammer. Bij de koffie rookt hij een dun shaggie. "Al dat gezeur over dat roken, Nederlanders zijn echte kruideniers", zegt hij krachtig inhalerend. Hij straalt een innerlijke rust uit die me goed doet. Hij begon als huisschilder en volgde avondlessen bij de kunst-nijverheidschool, de latere Rietveldacademie.

"Er wordt door een aardige uitgever, Bert Rensink uit Amsterdam, een boekje van me uitgegeven." Welke lijn ik heb gevolgd in mijn leven? "Ik ben hetzelfde gebleven. Ik maak landschappen, portretten, naakten en etsen en werk met inkt, krijt, houtskool, aquarel, acryl, en olieverf. Ik doe bijna alles naar de waarneming, af en toe niet."

Geen voorkeur voor bepaalde onderwerpen?

"Ik vind alle dingen heerlijk om te maken, een naakt, een landschap, een portret of een ets, alles tof. Maar wel bidden dat als je wat maakt het ook goed is. Dat zie je of meteen of in je atelier. Dan denk je: jezus, wat heb ik gemaakt, wat mooi!" Heb je dat vaak? Frits lacht breed: "ik heb zeker mooie dingen gedaan. En dat heb ik ook te danken aan mijn vriend Dirk ten Hoedt die me als een vader heeft begeleid. Maar nu ik erover denk zie ik toch dat ik mezelf het beste kwijt kan in tekenen. Papier en een krijtje is alles wat ik nodig heb."

Is het bij jou in één keer goed?


"Als ik buiten een aquarel maak en dat doe ik het meeste - ik heb dan het grootste atelier van de wereld - begin ik dunnetjes, maar maak het steeds zwaarder en zwaarder tot ik denk: hé, nu stoppen, want ik weet het niet meer. En dan ga ik door de polder of langs het strand lopen en is er geen hond te bekennen en als je terugkomt en opnieuw naar je werk kijkt denk je: jee, het is af of niet. Zo gaat het. Geen speld tussen te krijgen toch?"

Oude Tijd



Terwijl ik naar 'm luister kan ik mijn ogen niet afhouden van een groot acryl doek pal tegenover me.
"Het is min of meer een ode aan het Amsterdamse Kattenburg, Wittenburg en Oosterburg. Ik laat zien hoe het leven daar in ongeveer het jaar 1850 verliep."
Fred wijst met een stok op de figuren en attributen: "Hier een kar met mosselen, daar iemand die haring schoonmaakt, en dit is mijn hondje dat naar een viskar kijkt en deze vrouw pikte ik van een foto van Breitner. En dit meisje is omringd door drie vrouwen van deze tijd en een kind dat ik er voor de gein tussen plaatste en de zandgrond fantaseerde ik er bij. De Oosterkerk en de verre zeilschepen maken het tafereel compleet. Ik had liever olieverf gebruikt, maar daar had ik toen geen tijd voor, het moest af voor de tentoonstelling. Collega's zeiden van dit schilderij: Frits, dit ben je niet. Maar ze moeten niet zeiken, want niemand had het zo uit z'n kop gekund als ik."

Ik maak na deze opmerking de rondgang langs zijn oeuvre want zo mag je het wel noemen: naakten, landschappen, portretten en etsen. Zijn hondje heeft een prominente plaats, je kan er niet omheen. Hij heeft haar in olie vereeuwigd in zijn slaap, met eigenwijze, halfopstaande oren. Op mijn vraag of hij nog een zelfportret voor Pulchri heeft : wat wil je toch veel, ik moet je temmen. Ik heb er wel een, maar daar lijk ik verdomme niet echt op."

Je bent productief en nog steeds.

"Ja, Jezus, je moet toch je handen laten wapperen?

Ellen de Jong