Eijffinger, Miep- in 2004


2004
De mens en zijn kunst


Miep Eijffinger woont in de Balistraat in Den Haag. Ze is een krasse dame op leeftijd die me uit blauwe ogen recht aankijkt en voorstelt in de serre te gaan zitten. Uitzicht op een zonnig stuk tuin met kleurig bloeiende planten. Miep had van 1940 tot 1976 een Kunsthandel genaamd ‘Martinus Liernur’ in de Zeestraat in Den Haag. Na het overlijden van haar man in 1941 runde ze de zaak alleen. Hoe heeft ze Elsa Lindorfer ontmoet?
Miep:
“Ze kwam langs met haar aquarellen, die havengezichten, bloemstillevens en een enkele keer een interieur tot onderwerp hadden.
Voor de havengezichten reed ze met haar brommertje, waarvan de zijtassen gevuld waren met attributen, naar Rotterdam of Amsterdam.
We gingen ook wel samen naar Frankrijk en daar schilderde ze eens, herinner ik me, een stilleventje van bloemen op een soort terras. Of haar werk goed verkocht? Nee, in die tijd niet, later wel. Oorspronkelijk was onze zaak gebaseerd op de Franse School, rondom de impressionisten, maar toen mijn man overleed was Frankrijk dicht en kocht ik tijdens de oorlogsjaren werk van overleden schilders op veilingen. Na de oorlog ben ik pas begonnen met levende schilders, onder meer met die van de Haagse School en ontmoette ik Elsa. En zoals ik al zei, haar werk maar ook dat van anderen, verkocht matig. Pas na 1960 kwam er een beetje beweging in. En toen zei ik: eindelijk begint het te komen, en dan noem ik vooral het werk van Kees Andréa, Piet Klaasse en Elsa, dat een stijgende lijn vertoonde. Nu zeg ik: Eindelijk is Nederland wakker geworden, omdat er veel meer interesse voor kunst is. Het was vroeger een opgave in Nederland een schilderij te verkopen, je zag soms wekenlang geen kip in je zaak.
Maar überhaupt is het zo in dit vak dat velen geroepen zijn en weinigen uitverkoren.”

Hoe groot was Elsa’s collectie?

Miep: “Als ik haar werk exposeerde in het bovenzaaltje van mijn zaak dan waren dat zo’n achttien schilderijen, aquarellen wel te verstaan, want behalve een oningelijst bloemstilleven, om precies te zijn een plant, en mijn portret, herinner ik me geen olieverfschilderijen. Eens maakte ze speciaal voor mij een roos-bloemstilleven en dat werd onmiddellijk verkocht."
Miep glimlacht, ze ziet het nog helemaal voor zich.


Wat vond u het bijzondere van haar werk?

“Het had kwaliteit, dat zeker. En haar kleurgebruik?”
Miep bleef even stil, verzonken in het verleden:
“Haar aquarellen en vooral de havengezichten gaven me een gevoel van eenzaamheid, vooral door de kleur van het water.Wat ze er precies bij voelde weet ik niet, maar mij gaf het een angstig gevoel."

U raakte bevriend met haar.

“Ik mocht haar graag en we gingen samen naar tentoonstellingen in Amsterdam. Ik herinner me dat we naar Hundertwasser gingen wiens werk zo fel geschilderd was dat ik zei: laten we even naar Van Gogh gaan. Je ogen waren zo tureluurs geworden van die schelle kleuren dat je even bij Van Gogh bij wilde komen, want die had daarna geen kleur meer en je kon toch bepaald niet zeggen dat hij van die zachte tintjes had!”


Tekeningen

Miep vertelde vervolgens dat Elsa haar werk altijd bij haar bracht:
“Meestal ging ik schilderijen in het atelier van de kunstenaar uitzoeken maar dat was bij Elsa niet het geval. Zij zocht het zelf uit en dat is de reden denk ik, dat toen haar zoon Bernard mij onlangs tekeningen van haar liet zien, ik die niet kende en evenmin iets wist van het portret van mij in olieverf waar ik nooit voor poseerde en dat ze kennelijk uit haar hoofd had geschilderd. Die (pen)tekeningen vond ik geweldig en interessanter dan de aquarellen maar ze heeft ze me in die tijd nooit getoond. Ze zal wel vaak op haar brommer de natuur opgezocht hebben om te schilderen en dat verklaart die grote hoeveelheid tekeningen. Maar ze duidden wel op een conflict waar ze in verstrikt zat en ik dacht:
Eigenlijk had ze veel eerder een gesprek moeten hebben met een psychiater of een psycholoog. Mij gaven ze in ieder geval duidelijk te zien dat Elsa iemand was die in de knoop heeft gezeten. Ze was heel depressief geworden nadat Bernard ging studeren en haar dochter trouwde en of ze dat voordien ook al was kan ik me niet goed meer herinneren. Maar ik denk dat ze het uit huis gaan van haar kinderen niet goed verwerkt had. Als ze in zo’n vreselijk sombere bui was zei ik tegen haar:
Jij gaat overdag naar je atelier en dan kom je ‘s avonds hier eten en slapen. We hadden dan interessante gesprekken, luisterden naar muziek en hadden ook verschrikkelijke lol. En dan was er geen sprake van depressie. “

U had veel op met de mens en zijn kunst.


“Ik zei vroeger tegen mijn moeder: ik moet iets met mensen doen en het heeft met kunst te maken, maar wat is dat? Ik wist het namelijk niet. Ik ga naar de toneelschool verkondigde ik en mijn moeder die heel christelijk was opgevoed zei: nee, kunstenaars zijn goddeloze mensen en toen antwoordde ik: nee, die zitten het dichtst naast God, want die hebben de schepping het beste begrepen. En later zei de dominee: dat is het enige goede antwoord.”

Ellen de Jong