Schatz, Leo - 1998

Een goed kunstwerk is iets nieuws

Leo Schatz (Amsterdam, 1918) rekent zich tot de expressionis¬ten.
Zijn schilde¬rij¬en ontstaan vanuit de kleur die Schatz in oneindige varia¬tie en met grote felheid toepast:
'De kleur moet mooi zijn, waaronder ik versta dat ze emotie uitdrukt.
De vorm speelt daarbij wel een rol, al is ze een deformatie van de werkelijkheid. Nooit wordt de voorstelling totaal abstract omdat dan het thema voor mij verloren zou gaan.'
Hoewel hij ook poëtische landschappen en stillevens schildert is de mens toch zijn belangrijkste bron van inspiratie. De thema's komen niet voort uit de waarneming maar uit de fanta¬sie van de schilder. De kleuren kunnen uitbundig zijn, de thema's zijn dat vaak niet.
Schatz geeft uniek uitdrukking aan gevoelens van eenzaamheid en weemoed. Zijn kleuren zijn in de loop der jaren steeds helderder en meer afgewogen geworden. Leo Schatz expo¬seerde met groot succes tweemaal eerder in het Singer Museum. Met deze tentoonstelling van nieuw werk dat in de afgelopen drie jaar ontstond wordt zijn tachtigste verjaar¬dag gevierd.
In juli 1995 werd het werk van Schatz in het Joods Historisch Museum geëxposeerd en naar aanleiding daarvan verscheen het boek 'De kleur van Leo Schatz met een beschouwing van Bert Schierbeek'.
De dichter en schrijver Schierbeek was een dier¬bare vriend van Schatz en wist als geen ander zijn werk en leven uit de doeken te doen, in een heldere trefzekere taal. Hij schrijft:

'Je komt binnen. Voor het eerst na jaren. En wat zie je aan de muur bij het raam? Een tuin. Een tuin zo kleurrijk, zo poë¬tisch als van Bonnard, maar doortrokken van een droefheid die als een voile over het doek ligt. Een eenzaamheid ook die in de figuur op de rug gezien, gestalte krijgt. Een figuur afge¬wend niet alleen van de kijker en de tuin, maar ook van zich¬zelf. Zij loopt de tuin uit, stilstaand, aarzelend, komt niet verder en ontkomt ook niet aan zichzelf. Zo lijkt het. Het is droevig maar mooi.'

Vakkennis

Ik had het idee Schatz na het lezen van Schierbeeks beschou¬wing al aardig te kennen. Zei hem dat terwijl hij me binnen¬liet in zijn huis in Watergraafsmeer, Amsterdam.
Schatz keek mij met lichte ogen peilend aan: 'Dat denkt u. Ach, laten we maar je zeggen, dat praat gemakkelijker.'
Aan de muren van zijn woonkamer hingen een aantal schilderijen die hij van zijn overleden dochter Irma gemaakt had, in prach¬tige, verstilde kleuren die in elkaar overvloeien en met, zoals Schierbeek schreef: een droefheid als een voile over het doek.

Dat afgewend zijn van jezelf komt in veel van je schilderijen tot uiting.

'Ja, kijk maar.' Schatz wijst naar zijn doek 'Irma' aan de muur waar juist en glimp zonlicht opvalt.
'Ik was me daar niet bewust van, de eerste die dat zag was Bert. Toen hij me dat zei dacht ik: het is nog waar ook. Overigens interesseren die psychologische betekenissen van mijn werk me helemaal niet, want je werkt gevoels¬matig en je corrigeert jezelf door je vakkennis omdat je normaal intelli¬gent bent. Dan kijk je dus wat je doet en ik ben een stukje van mijn eigen leven beter gaan begrijpen door naar mijn werk te kijken.'

Maar toen Bert dat afgewend zijn van jezelf constateerde was je het er wel mee eens.

'Zeker, ik zal het je uitleggen. De tentoonstelling die ik in Singer? in 1989 had, kwam na een periode van vier jaar schil¬deren nadat mijn dochter gestorven was. Al die tijd heb ik dat onderwerp geschilderd.
Dat is uitgewoed, niet het verdriet, maar ik heb het er wel uitgegooid. En toen zijn die schilde¬rijen ontstaan met dat afgewende en zo is het ook want als iemand sterft gaat ze van je weg. Dat heeft Bert goed gezegd.'

Ontwikkeling

Wat zou je de motor van je werk noemen?

'Een lustbevrediging, ik schilder altijd, elke dag, be¬halve in de vakantie. Maar we hebben een huisje in Italië en dat hebben we zelf gebouwd, dus was ik ook weer scheppend. Ik schil¬der niet naar waarneming, ik kan het wel, maar ik maak dan verve¬lende droge dingen. Ik heb wel veel portretten gemaakt, dat kan ik ook goed, maar nu interesseert het me helemaal niet meer.
De behoefte om iets te maken had ik al toen ik een jaar of vijftien was. We woonden tussen de arbeiders in Betondorp en ik had vriendjes die timmerden. Dat is het dacht ik als ik die jongens met een stuk hout bezig zag om er iets van te maken. Toen was ik me er nog niet van bewust dat het een behoefte was om iets te creëren, dat kwam pas later, maar dat is de motor van mijn werk.
Ik heb een langzame ontwikke¬ling gehad, ik ben een laatbloei¬er. Mijn succes groeit pas vanaf 1989. Ik was geen onbekende schilder maar ik ben nooit echt doorgebroken. Ik begon op de Kunstnijverheidschool en werd er als een soort reclametekenaar opgeleid, maar dat lag me niet. Toen ik van die school af kwam had ik weinig ge¬leerd vond ik.
Daarna brak de oorlog uit en ben ik vijf jaar met andere dingen bezig geweest, hoewel ik mijn vaardigheden toepaste voor vervalsingen enzovoort. (Schatz maakte de bezettings¬ja¬ren mee, niet als ondergedoken jood, maar als actief ver-zets¬man onder een valse naam). Na de oorlog wilde ik gaan schilderen - ik bewonderde Van Gogh en Toorop voor de oorlog al - maar ging eerst een paar jaar zwerven, want ik was kapot, ik had alles verloren en wist niet hoe te beginnen. Het was een rare toe¬stand van niet gelukkig zijn, niet weten wat je wilt.

In 1948 trouwde ik met Sonja, die ik straks zal expose¬ren, (Sonja kwam later bij ons zitten, een innemende vrouw, die Schatz met liefde bezag) en begon het echte leven. Het werk van Chagall bijvoorbeeld beïnvloedde me in mijn schilde¬ren, maar ik ging toen ook met veel plezier tekenen. Daarna kwamen mijn twee dochters op de wereld en moesten we bestaan.
Ik verdiende eerst de kost met illustreren en daarna met lesge¬ven.
Ik vond het lesgeven aan kinderen in Vrije Expressie op de Werkschuit helemaal niet leuk in tegenstelling tot het inspi¬rerend werken met studen¬ten op de Rietveld Academie, wat ik later deed.
Ik bleef schilderen, maar met minder helde¬re kleuren hier en daar. Afgelo¬pen zondag heb ik met twee vrienden mijn werk uitgezocht voor de tentoonstelling en die consta¬teerden dat alle elementen die ik vroeger in mijn werk toepaste er nu op een betere manier uit komen. Ik zie zelf ook wel dat ik vroe¬ger soms wat onhandig schilderde met ongevoeli¬ge lijnen.' Schatz liet me zijn zelfportret uit 1947 zien en wees aan wat hij bedoelde. 'Als ik dit dan nu zo bekijk zie ik wel dat alles aanwezig was om beter te worden en uit te groeien. Maar ik ben er pas een jaar of vijftien geleden achter gekomen wat schil¬deren is. Wat dat dan is? Voor mij in de eerste plaats de emotionele uitdrukking van de kleur en die is veel afgewoge¬ner dan vroeger. Ik weet nu van iedere vierkante millimeter of die in verhouding staat tot de rest. Ten tweede kan ik nu pas met verf omgaan. Ik ben niet virtuoos, doe alles moeizaam en dat is mijn geluk. Ik zet vaak iets verkeerd op bijvoorbeeld en dan bevalt het me niet en moet ik er weer moeizaam overheen en dan ontstaat daardoor iets wat door dat gezwoeg naar buiten komt. Maar het gaat niet om je vaardigheden maar om dat wat je wilt uiten. Niet om wat je wilt mededelen, want een schilderij heeft niets mede te delen. Een schilderij heeft te zijn wat ze is. Iemand die vlot praat is sneller in staat om indruk te maken dan iemand die stuntelig veel diepere dingen zegt. Toevallig ben ik verbaal wel heel goed !" Schatz lachte breed-uit en stak welgemoed een nieuwe sigaar op.

Schatz heeft een druk sociaal leven en er komen veel mensen over de vloer. 'Mensen boeien me, ze zijn grote stun¬tels en wat ik probeer is de naaktheid van de mensen, het onhandige en dat mysterieuze van hen, uit te drukken. We kunnen in dit ellendige leven bestaan omdat we met een paar mensen warmte kunnen uitwisselen. En dat is ook wat ik uit eruit haal.'

Later gingen we een paar steile trappen op naar zijn atelier en liet Schatz me een aantal aquarellen en schilderijen zien die in Singer komen te hangen. Op zijn ezel stond een stille¬ven, althans zo noemt hij dat. 'Je ziet, dit is geen vaas met bloemen of een schaal met vruchten, ik geef aan een stilleven een andere betekenis. Welke? Daar zijn geen woorden voor, ik probeer slechts het doek een emotionele lading te geven. Ik reken me niet tot de vernieuwers, maar voor mij geldt dat een goed kunstwerk iets nieuws is. In mijn stillevens kan je soms ge¬zichten of bepaalde vormen ontwaren, dat wel, maar ik wil het niet uitleggen, het spreekt voor zich. Morandi zette ook geen mooi potje neer en componeerde zo een stilleven, nee hij maakte er poëzie van.
Schatz haalde vervolgens een paar andere werken tevoorschijn:
'De blondine en la rossa zijn dit. Deze twee schilderijen zijn een duidelijk voorbeeld van mijn primaire behoefte mij in kleur uit te drukken.'
Ik keek verrast naar zijn twee meisjeshoofden, zo met elkaar in contrast, maar beiden zo fijngevoe¬lig van vorm. Ik had er geen woorden voor, maar dat had Schatz zelf ook niet.



Ellen de Jong, 1998