Luidinga, Gerrit

Bijzondere tentoonstelling met kunstwerken van Johfra in Slot Zeist
‘Op de grenzen van het avontuur’

Johfra (1919 – 1998), de artiestennaam voor meesterschilder Franciscus Johannes Gijsbertus van den Berg, was begin jaren zeventig en daarna, een echt cultfiguur. Zijn posters met de tekens van de dierenriem sierden vele kamers. Zijn kunst, in de traditie van het fantastisch realisme, is met veel symboliek en onder toepassing van de ambachtelijke schildertechniek van de oude meesters vervaardigd. Johfra, een samenvoeging van twee van zijn voornamen in omgekeerde volgorde, bezoekt op veertienjarige leeftijd de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten, waar hij les krijgt van onder meer Paul Citroen en Aart van Dobbenburgh. Hij ontwikkelt een strikt persoonlijke stijl die hij gedurende zijn zestigjarige kunstenaarschap perfectioneert. Hoewel zijn werk doorlopend op tegenwerking van de officiële kunstwereld in Nederland stuit, geniet hij bij een breed publiek grote waardering, ook bij gerenommeerde
kunstenaars in binnen- en buitenland. Op jonge leeftijd raakt Johfra al in de ban van het feeërieke. In mythen en sprookjes vindt hij een universele taal die hem bewust maakt van een verbondenheid met heel de schepping. In het gebied van het collectief onbewuste, het rijk van de archetypen, vindt hij de bouwstenen voor zijn scheppende arbeid. Het pulserende leven in de natuur is zijn inspiratiebron, nadat hij zich heeft bevrijd van occulte en levensbeschouwelijke hersenspinsels. Zijn werk is een afspiegeling van wat in hem leeft en heeft doorgaans weinig van doen met de uiterlijke wereld. Zo creëert hij vrijwel niets dan zelfportretten, ongeacht of het gaat om surreële droombeelden, menselijk naakt, mythologische voorstellingen, heksensabbatten, ruïne-, groeisel- of wereldlandschappen. Wat hij maakt zijn intuïtieve, geconcentreerde herinneringen, die ervaren moeten worden als landschappen van de ziel.


In gesprek met Gerrit Luidinga


Gerrit Luidinga, groot kenner van Johfra’s werk, realiseerde een lijvig boek over hem: ‘Hoogste lichten, en diepste schaduwen’ en hij publiceerde en leidde Johfra’s autobiografie ‘Symphonie fantastique’ in. Hoe leerde hij hem kennen?
‘In 1974 bij Hein Steehouwer thuis, die hoofdredacteur kunst bij het Haarlems Dagblad was. Ik kende Johfra’s werk wel maar onvoldoende. Ik stond onder invloed van Aart van Dobbenburgh, zijn leraar op de Haagse Academie en Johfra was zijn beste leerling. Maar hij ging de surrealistische kant uit en Van Dobbenburgh vond dat maar niets. Toen ik echter in 1993 een tentoonstelling van Johfra’s werk in het stadsmuseum in Woerden moest openen, kwam ik tot de opzienbarende conclusie dat ik me op een verkeerd been had laten zetten en dat heeft me geleerd dat je je niet moet laten beïnvloeden door het oordeel van een ander. Oordeel niet want dat trekt een sluier over de werkelijkheid. Ik zag toen opeens de geweldige kracht die in Johfra’s werk verscholen zat.’
Johfra staat onder meer te boek als een surrealist, een symbolist, een meta-realist maar zelf noemt hij zich een psychisch realist. ‘Daar had hij gelijk in, want het ging hem om de psycholische inhoud van zijn werk; hij schilderde zich uit, het ging niet om de picturale verbazing. Hij wilde niet choqueren, hoewel je dat niet zou zeggen als je zijn monstertjes ziet. Hij wilde doordringen achter het oppervlak van de dingen, voorbij het persoonlijke ik en de binding met de natuur langs mystieke weg herstellen. Schilderen was voor hem ademhalen en er zijn meer kunstenaars die vanuit datzelfde principe werken. Het is een innerlijke noodzaak, gepaard aan een groot vakmanschap en een enorme gedrevenheid. Als hij niet zou schilderen, zou hij zich, mijn inziens, van het leven benomen hebben. Een dag niet geschilderd is een dag niet geleefd. Overigens gaat elke term mank.’
Leonardo da Vinci en Salvador Dalí waren de polen van zijn kunstenaarschap. Luidinga: ‘Met dit verschil dat Dalí hem dikwijls teleurstelt en ergert, wat bij Da Vinci nooit het geval is. Voor Johfra was Dalí een studieobject, en Dalí had, beweerde Johfra net als hijzelf, een groot minderwaardigheidscomplex. Alleen compenseerde Dalí dat door veel uiterlijk vertoon en sensatie. Iets wat Johfra nooit deed.’ Luidinga schrijft in de inleiding van Johfra’s autobiografie: ‘Zonder enige pose onthult de schilder waarom hij schildert zoals hij schildert en gunt hij ons een blik op zijn levensloop en op zijn geestelijke ontwikkeling, die ten grondslag ligt aan zijn artistieke zeggingskracht. Met de autobiografie wil hij de verkeerde voorstellingen omtrent zijn persoon logenstraffen en afrekenen met de mythevormingen die hem telkens hebben achtervolgd.’
Luidinga’s drijfveer om zich met Johfra, die ook een vriend van hem werd, bezig te houden tot op de dag van vandaag, is: ‘Hem de erkenning te kunnen geven die zijn werk verdient. Dat mag niet verborgen blijven en Johfra’s oeuvre heb ik bijeengebracht in mijn boek en dat mag worden gezien als een in de hand te nemen museum.’ Luidinga laat me zijn boek zien. Het is loodzwaar, ik blader er even in en in één oogopslag zie ik wat een gigantisch werk dat geweest moet zijn voor hem. Wat een prestatie om ‘Een kunstenaarsleven in woord en beeld van 1919 – 1998’ zo consciëntieus en vol liefde voor Johfra vorm te geven. Luidinga vult aan: ‘Naast zijn beelden zijn er ook teksten uit zijn dagboeken te lezen en dat is bijzonder, want niet veel beeldend kunstenaars kunnen goed schrijven. Johfra schrijft over zijn persoonlijk leven, maar vooral over de artistieke processen die zich in hem voltrekken en over allerlei andere, gewone dingen ook, waardoor zijn notities een menselijke maat krijgen en je overtuigd kunt raken van zijn absolute oprechtheid. En in die dagboeken ondervraagt hij zichzelf steeds, hij twijfelt en is niet tevreden, hij wil telkens zijn stijl vernieuwen. Je zou kunnen zeggen dat het dagboek een innerlijke pijnbank voor hem geweest is.’
Johfra schrijft in zijn autobiografie: ‘Wie zijn doel lager stelt dan de sterren, heeft te laag gemikt. Streef naar het onmogelijke om er zeker van te zijn dat het bereikte het hoogst mogelijke is.’ En, schrijft Johfra op de laatste bladzijde van zijn ‘Symphonie fantastique’:
‘Door mijn trage, moeizame techniek ben ik steeds achter op mijn fantasie. Dit werkt in hoge mate frustrerend en drijft me voort steeds harder en intenser te werken in de hoop mijn ideaal eens te kunnen realiseren.’
Wat is dat ideaal? ‘Het ultieme schilderij en dat bereikt geen enkele kunstenaar, want dan kan hij beter meteen stoppen. Johfra wordt voortdurend geplaagd door beelden die hij wil uitwerken.
Hij zegt ook: ‘Alles wat ik in mijn hoofd heb, kan ik in mijn leven niet meer maken.’ ‘Het is een geweldige obsessie voor hem.’ Dankzij deze obsessie en Luidinga’s gedrevenheid voor Johfra’s kunst kunnen de toeschouwers nu de 35 schilderijen en tekeningen van een bijzonder kaliber in Slot Zeist bewonderen. Deze tentoonstelling is samengesteld uit de internationale kunstcollectie van Rardy van Soest.

Ellen de Jong


Van 10 april t/m 30 mei 2010
Voor arrangementen, met een lezing van Gerrit Luidinga
www.slotzeist.com
tel. 030 – 6921704
Zinzendorflaan 1
Zeist