Veldhoen, Aat

Aat Veldhoen:

Schilderen is mijn grootste troost in het leven

Veldhoen werd als eerste van een tweeling in 1934 in Amsterdam geboren. Zijn vader was schilder, zijn moeder onderwijzeres. Zijn vader stimuleerde hem al heel vroeg te gaan schilderen. Van jongs af aan liep Aat met zijn vader langs musea, waarvan hij zich slechts herinnert dat hij door zijn vader moest worden opgetild om de schilderijen te kunnen zien. Op zijn 14de jaar besloot hij zich uitsluitend op tekenen te gaan toeleggen. Op de Tekenschool leerde hij portret-tekenen van Van Tongeren. Later vestigde Veldhoen zich als vrij kunstenaar. Op een kamer in het huis van zijn moeder tekende en schilderde hij mensen uit de buurt, vrienden en kennissen.
Aat Veldhoen, in antraciet krijtjespak, met warrig haar en vrolijke ogen, moet eerst een boterham eten voor hij met mij kan praten. Hij woont in een mieters pand op de Wittenburgergracht in Amsterdam. Ik wacht in zijn kamer op hem en ga op een met helblauwe zijden stof beklede bank zitten en laat wat ik om me heen zie op me inwerken. En dat is heel wat.
Aan de wanden hangen schilderijen, tekeningen en foto's van zijn hand. Veel vrouwelijk naakt en portretten, maar ook landschappen en stilleventjes. Eén wand wordt in beslag genomen door een groot schilderij, waarop een man en een vrouw wellustig aan het paren zijn. Suggestief en goed fel van kleur. Gepassioneerd. Een ander opvallend schilderij is een doek met drie naakte vrouwen bij een piano, slechts getooid met speelse hoofddeksels.

Snuisterijen

Bizarre en grillige snuisterijen, waaronder beeldjes en maskers, her en der verspreid, geven de kamer een Jordaanse en woonwagenachtige aanblik. 'Op 't Waterlooplein gekocht', vertelt Aat later. Zelfs het plafond is niet verschoond van zijn artisticiteit. Kleurige ballonnen en slingers hangen eraan ter versiering. Een zwarte vleugel staat middenin de kamer om de attractie te verhevigen.
Hij roept vanuit de keuken of ik thee wil en wat voor smaak. Ik loop naar hem toe over zwart-wit geblokt linoleum. Hij staat aandachtig een boterham te smeren met marmite. 'Dat eet ik eigenlijk nooit, houd jij ervan?' Nee, sorry het is me te zout. Ook hier de wanden bezaaid met van alles wat. Hij wijst me op een serie beschilderde tegels. 'Ik maakte tekeningen op het witte glazuur, daarna gingen ze de oven in en werden het Delftsblauwe afbeeldingen.'
Zijn boterham met marmite smaakt hem goed. Daarna begint de rondleiding in zijn pand. Eerst laat hij me foto's van twee van zijn vier dochters zien. 'Parels zijn het.' Beneden kijk ik mijn ogen uit: grote schilderijen met naakten, jonge en oude vrouwen met gladde dan wel gerimpelde huidjes. Paartjes verzonken in hun erotisch nummertje, een man geheel gekleed in het blauw, leunend op zijn krukken, vanwege een geamputeerd been. Daarna door een gangetje naar een ander vertrek. Alles vol, vol en nog eens vol met kunstschatten. Zijn huis is één groot atelier.
Wat een productie en veelzijdigheid. 'Een chaotische orde.'
Je moet wel dag en nacht gewerkt hebben. 'Dat denk ik ook.'

Geheim domein

Ik zie een schilderij van zijn moeder, een keurige vrouw die niet bepaald vrolijk kijkt. 'Ze was een echte onderwijzeres,
streng. Zij vond het leven niet rechtvaardig, ze had kinderarts willen worden. Van mij zei ze: vroeger was hij berucht, nu beroemd. Kijk, dit is mijn kluis: Aat zwaaide de enorm grote deur open: 'Stap er maar in.' Ik betreed zijn geheim domein. 'Nu doe ik de deur dicht.' Aat lacht ondeugend, zijn bruine ogen glimmen.
'Al mijn prenten, zo'n vierhonderd, zitten in deze dozen en mappen.' We zetten de ontdekkingsreis voort, terwijl hij ondertussen over de scheiding van zijn derde vrouw Cristi vertelt, waar hij middenin zit. 'Ze eist de helft van mijn bezit, we zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Stom, dit is de derde keer, dat ik me aan dezelfde steen stoot. Mijn eerste huwelijk was in de baarmoeder (ik ben een kwartier ouder dan mijn zusje) en daar was ik gelukkig niet in gemeenschap van goederen getrouwd!'

Beeldentuin

Aats twee poezen, moeder en dochter, lopen met ons mee en geven voortdurend kopjes. Aat haalt ze aan en zegt lieve woordjes. Ik mag hem wel, die Veldhoen. Maar ik kan ook goed begrijpen dat zijn vrouwen het moeilijk hebben gevonden met zo'n gedreven man, ontstellend vitaal bezig met zijn kunst, te leven. We belanden in zijn beeldentuin met tal van beelden en geestig in elkaar gezette objectjes van allerhande materiaal.
'Hier heb ik marmer bewerkt zoals je ziet.' Ik kijk naar een geweldig blok, waaruit hij een harlekijn met zijn minnares en andere ontroerende menselijke tafereeltjes heeft gehakt. Dat hij dat ook nog kan. Hij is er twaalf jaar geleden mee begonnen. 'Voor elke vierkante centimeter moet je knokken, dit is wel iets anders dan schilderen. Hier staat een sater die eeuwig klaarkomt.'
De sater kijkt niet al te vrolijk naar zijn geslachtsdeel waar een dun straaltje water uitloopt. Het vocht belandt in een uit allerlei steensoorten opgebouwde bak.
We gaan naar zijn kamer waar ik hem vraag hoe hij er toe gekomen is om te gaan beeldhouwen.
'Toen ik dit huis kreeg had ik de ruimte om een buitenatelier te creëren. Bovendien kwam ik, ik was ongeveer vijftig jaar toen, een beeldhouwer tegen die mijn vriend werd.
Reneé Nysen was een bijzondere man en het zal wel een wisselwerking geweest zijn, hij inspireerde me in ieder geval tot beeldhouwen. Hij werd Mister Stone genoemd, een meester in steen dus.'
Simon Vinkenoog schrijft, in de catalogus over je prenten: 'Aats werk spreekt altijd voor zichzelf. Er is niets aan toe of af te doen, niets hoeft verklaard of uitgelegd te worden, het is wat het is.' 'Goed gezegd van hem, het is wat het is. Toelichting is overbodig.'

Sociale kunst

Je wilt kunst voor het volk. 'Grafiek is een sociale kunst, je maakt van één, twee tekeningen, van een ets maak je tien of twintig drukken, van een lithografie ook. Toen kwam de off-set pers en die heb ik gebruikt als grafische techniek en dat impliceerde dat je in een uur achthonderd of duizend prenten hebt. En dan heb je de mogelijkheid om tot het volk te spreken en ze in een grote oplage te drukken en verkopen, daar bereik je een enorm publiek mee. Dat wilde ik graag omdat, zoals ik al zei, grafiek sociale kunst is. Dat kan je toch begrijpen, dat is heel eenvoudig. De mensen bereiken, daarom gaat het.'

Grootste troost
Er werd beweerd dat je grafische werk voor een groot deel uit aanstootgevende paringen bestond en ook je rotaprenten die je op straat liet zien, kregen om diezelfde reden kritiek.
Hoe verweerde je je tegen die kritiek en heeft het je kunstenaarschap beïnvloed? 'Die kritiek was natuurlijk helemaal ten onrechte. Paringen beslaan maar negen procent van mijn werk. Ik kon me niet verweren tegen die aanvallen en had er ook geen zin in. Het kon me ook niets schelen wat ze over mijn werk en mij te melden hadden. Degenen die dat zeggen zijn fout, niet? Het heeft mijn kunstenaarschap ook niet beïnvloed voor zover ik weet, want daar is geen meter voor. Ik liet alles maar over me heen komen, wat moest je anders. Ik ben nu nog steeds aan het schilderen, het is mijn grootste troost in het leven.'

Ellen de Jong