Schröder, Sierk


Het leven van Sierk Schröder

Ik ben blij dat ik al die prachtige vormen in de natuur nederig mag tekenen.
'Sierk Schröder (1903) is onmiskenbaar één van de belangrijkste portretschilders van ons land. Een gedreven kunstenaar die nog bijna dagelijks in zijn atelier te vinden is', (Algemeen Dagblad, 1991).
Sierk Schröders vrouw en brave, oude hond Mouchka brengen me naar het atelier van de meester. De schilder, tekenaar en portrettist zit stilletjes in zijn stoel voor het raam, temidden van zijn portretten, naakten, aquarellen, tekeningen, veel boeken en dossiers over zijn werk.
'U vindt in dit atelier niet de grote aquarellen en pastels, want die zijn verkocht en veel van mijn portretten zijn uitgezwermd over de wereld en hangen in particuliere huizen of in openbare gebouwen', zegt Schröder. Ik kijk vol bewondering rond.
Wat een gave zeg ik.
'Nee', reageert Schröder direct, 'ik moest er hard voor werken om een zekere hoogte te bereiken, het is me nooit aan komen waaien.' Hij leidt me van de ene naar de andere beeltenis -veel kinderportretten van een pure, stille schoonheid - en wijst me vervolgens op enkele vrouwenfiguren en naakten, zuiver van lijn en met een ontroerende uitstraling. Hij loopt met kleine pasjes door zijn artistiek domein: 'Lopen gaat moeilijk tegenwoordig, maar mijn handen en ogen zijn nog goed,
zodat ik gelukkig nog kan tekenen.'


Levensloop

Sierk Schröder komt uit een familie die veel met Indonesië te maken had, het lag voor de hand dat hij planter zou worden. Maar tijdens zijn opleiding aan de Landbouwschool in Deventer gebruikte hij ieder vrij moment om te tekenen en schilderen en besefte dat hij daarmee door wilde gaan.
'Ik tekende altijd en van jongs af aan, evenals mijn oudere zuster en mijn moeder.'(Sierk heeft zijn geliefde moeder veel geschilderd, ik zag een paar innige en verstilde portretten van haar tegen de wand staan). Sierk besloot naar de Academie in Den Haag te gaan en M.O. tekenen te halen, maar wist direct al dat hij nooit voor de klas wilde staan. Hij kreeg de opdracht samen met een vriend een danslokaal te versieren en van het verdiende geld toog Sierk naar Parijs. 'Ik ben daar niet zo heel lang gebleven, maar het is een aangrijpende periode voor me geweest. Ik ging werken in het atelier van André Lhote en maakte kennis met de meest moderne dingen; ik bezocht tentoonstellingen van Kurt Schwitters en zag een schilderij van gescheurd krantenpapier met prikkeldraad. In de Rotonde (het beroemde café waar iedereen kwam in die tijd) zag ik van Dongen en Foujita, het waren de gay twenties. Maar ik was absoluut niet onder de indruk van de moderne kunst, ik was bezeten van de oude meesters en ging regelmatig naar het Louvre. 's Avonds volgde ik lessen in modeltekenen. Dat hele verblijf daar heeft diepe indruk op me gemaakt. Toen ik terug kwam in Nederland kreeg ik de Koninklijke Subsidie, vijfhonderd gulden per jaar.' Sierk lachte: 'Dat kreeg je niet ineens uitbetaald, nee, in vier delen.'

Portretten

Sierk trouwde, huurde een huis in Wassenaar en om aan de kost te komen illustreerde hij kinder- en schoolboeken, maar maakte ook portretten. In 1935 ontving hij de Thérèse van Duyl-Schwartze prijs, voor portret. In 1940 brak de oorlog uit en Sierk kreeg, hoewel hij dat niet verwachtte, veel portretopdrachten. 'In de oorlog konden de mensen geen auto's of radio's kopen, men was op elkaar aangewezen, het familieleven was hechter en men vond het prettig om portretten en schilderijen te hebben. In die tijd heb ik veel kinderportretten geschilderd, door het hele land. Het illustreren werd minder en opdrachten kreeg ik steeds meer, het was een belangrijke periode van portretschilderen voor me. Tussen 1945 en 1985 heb ik vele prominenten in Nederland geschilderd: Plesman, Philips en Tinbergen om er maar een paar te noemen.'
U heeft toch ook veel portretten van het Koninklijk Huis geschilderd?
'Ja zeker, onder andere het portet van koningin Beatrix dat in de Tweede Kamer hangt. Ontzettend belangrijk is dat je naast je portretschilderen 'vrij' blijft werken. Ik ben in die tijd blijven tekenen, aquarelleren, schetsen en modeltekenen. Als je je alleen toespitst op het portret, dan kom je tot een gemakkelijke virtuositeit, en die leidt tot oppervlakkigheid.
Waar het op aankomt is dat je je vakmanschap en je tekenvaardigheid uit een andere bron put, niet uit het maken van een gelijkend portret, maar uit je eigen vrije werk, veel figuur en naakt, portretten van je eigen kinderen en vrienden, stillevens en landschappen. Als je een bloem tekent en je maakt dan daarna een portret, dan verdisconteer je in dat portret wat je geleerd hebt door het tekenen van die bloem. Op die manier gaan je portretten niet tot een zekere vervlakking leiden.'
Sierk maakte ook veel portretreizen naar het buitenland, naar Zweden en Denemarken, Frankrijk en Engeland. Van 1960 tot 1968 was hij professor aan de Rijksacademie in Amsterdam. 'Ik kreeg een prachtig atelier en kon daar prima werken, de directeur Vroom stond er zelfs op dat je naast het onderwijs ook je eigen werk uitoefende. De leerlingen kwamen naar mijn atelier en zagen wat je zelf geschilderd had. Toch was het een moeilijke periode, met de Maagdenhuisgeschiedenis in 1968, de opstand van de studenten tegen de professoren. Ik voelde mij niet langer thuis op de Academie.'

Nieuwe techniek

Sierk nam ontslag in 1968 en arriveerde in zijn 'late' periode zoals hij zelf zegt: 'Steeds meer werd het vrije werk: naakt, figuur, landschap en stilleven, belangrijker. En niet te vergeten: de nieuwe techniek die ik ontdekte, het werken met pastel op ongeprepareerd linnen. Door zo te werken zinkt het pastei diep in de korrelige structuur van het linnen en hoef je minder te fixeren; ik heb veel grote naakten en figuur studies in deze techniek gemaakt.
Het waren voor mij vruchtbare jaren, ik kreeg ook nog portretopdrachten, onder andere van Kardinaal Alfrink en Bernard Haitink. 1992 was een belangrijk jaar want toen had ik een grote expositie in Slot Zeist, waar heel veel mensen zijn geweest.' Sierk keek mij aan: 'Dat was een grote voldoening voor me. Het hele leven is een golfbeweging, ik heb meegemaakt dat goede figuratieve schilders abstract gingen werken, omdat het in de mode was. Maar de snelste manier om uit de mode te raken is: met de mode mee te doen.'
Nu, op hoge leeftijd maakt Sierk mee dat er een trend naar het figuratieve is, dat abstracte schilders weer figuratief gaan werken. Hij heeft ook contacten met jonge schilders die graag bij hem komen en wat van hem willen leren. Sierk: 'Je ziet, er is altijd een golfbeweging en als je maar lang genoeg leeft maak je dat allemaal mee.'
Wat vindt u het meest interessant in dat lange leven?
'Wat mij boeit is de mens en het meest bekend ben ik dan ook door mijn figuren en portretten. Maar die vormen zijn even mooi als die in de natuur. En ik ben blij dat ik al die prachtige vormen nederig mag tekenen en dat niet zelf hoef uit te vinden; dat ik kan kijken naar de vleugel van een insect of naar een blad van een bloem of naar een schelp.
Ik vind dat je binnen de beperking van je eigen talenten de top moet proberen te bereiken en er nooit naar streven een ander te zijn. En die talenten moet je blijven gebruiken, als je ogen nog goed zijn en je hand zeker. Dat doe ik ook, ik werk nog zoveel mogelijk al teken ik nu uit m'n stoel omdat het voor de ezel staan teveel van me vergt.
Als ik een zelfportret of mijn hand wil tekenen heb ik er een spiegeltje voor.' Sierk pakt er eentje van het kastje naast zijn stoel, houdt zijn linkerhand ervoor. Ik zie zijn vingers weerspiegeld in het glas later vereeuwigd op papier.
'Ik teken, nu ik niet meer zo fit ben, dingen die voorhanden zijn, een bloem, een schelp, een dood muisje, ik leef mee met de seizoenen: als de pruimen rijp zijn, teken ik de pruimen, als de appelbloesem bloeit, teken ik de bloesem. Dat kan hier allemaal uit mijn stoel.'

Ellen de Jong