Williams, John 2016

In ‘Niets dan de nacht’, zegt John Williams geen woord teveel

John Williams herontdekte roman ‘Stoner’ werd een geweldig succes. Nu wordt ijn debuut, ‘Niets dan de nacht’ uitgebracht. Hij was toen 26 jaar. Uitgave: Lebowski Publishers. Vertaling Edzard Krol. In het voorwoord schrijft biograaf Charles J. Shields, die met een biografie van Williams bezig is, dat Williams die nauwelijks ouder dan een peuter was, in zijn ouderlijk huis geluid uit een gangkast hoorde komen: ‘Hij opende de deur en trof zijn moeder aan die zich achter de jassen had verstopt, terwijl ze op haar knieën lag te huilen.’ Ook hoofdpersoon Arthur Maxley uit ‘Niets dan de nacht’, maakte als kind een traumatische gebeurtenis mee, die hij de rest van zijn leven als een zware last met zich mee zou dragen. Ook hebben ze met elkaar gemeen: ‘een verlammende, oedipale gehechtheid aan hun moeder’, aldus Shields. Nadat Arthur ’s nachts uit een rusteloze droom is ontwaakt, neemt hij zich voor te gaan wandelen in het park. Hij is een mistroostige figuur die Williams tot in alle uithoeken van zijn sombere ziel ontrafelt. Arthur is het liefst in zijn met jaloezieën verduisterde kamer: ‘De kamer lijkt op mijn ziel, dacht hij. Smerig en verstoord.’ En: ‘Hij hield niet van zijn gezicht.’ En ook van de ochtend moest hij niets hebben: ‘Er was iets wat hem niet beviel aan de ochtend, iets bijna obsceens, vond hij. Het was alsof de tijd geregeld uit een nachtelijk graf opsteeg en over de aarde rondwaarde, en de aarde en alles wat erop rondliep met klamme handen aanraakte.’ Maar hij kleedt zich aan en gaat wandelen: ‘De straat was zo goed als verlaten; en tijdens het wandelen werd hij overvallen door een bekend en misselijkmakend gevoel van pure eenzaamheid […].’ Geldzorgen heeft hij gelukkig niet, zijn vader, met wie hij een verstoorde relatie heeft, stuurt hem regelmatig cheques en af en toe een onbetekenend briefje. Sinds zijn jeugdtrauma heeft hij geen contact meer met hem gehad. Maar op deze dag - die vanaf de droom tot het bittere einde ervan - door Williams in 128 bladzijden in beeld wordt gebracht, krijgt hij een brief van zijn vader. Hij wil zijn zoon in een hotel ontmoeten en met hem praten. Arthurs keel knijpt dicht bij de gedachte alleen al met zijn vader geconfronteerd te worden. Voor het zover is beschrijft Williams Arthurs overpeinzingen, die met weemoed terugdenkt aan het gelukkig samen zijn met zijn aanbeden moeder en het voorgoed voorbij zijn van die tijd omdat er abrupt een, ijzingwekkend, einde aan kwam. Williams vertelt nog niet wat er heeft plaatsgevonden, toen, in Arthurs ouderlijk huis. De ontmoeting met zijn vader beschrijft hij met een nietsontziende pen evenals het verloop van de dag en de nacht waarin Arthur het gezicht van zijn moeder meent te herkennen. Hij verzeilt namelijk in een kroeg en zowel de drank als het samenzijn met een jong meisje, maken dat hij tenslotte alle remmen losgooit: ‘Er zat een gezwollen rivier in hem, de optelsom van al zijn onderdrukte liefde […] en de woelige stroom was zo onstuimig dat hij hem niet kon indammen.’ Een heftig verhaal dat Williams in een zuivere, poëtische taal verwoordt. Hij zegt geen woord teveel als het er om gaat Arthurs eenzaamheid tot op de bodem van diens ziel uit te diepen.

Ellen de Jong  2016