Weemoedt, Lévi

WAAROM ZOU JE SCHRIJVEN ALS ALLES LEUK IS ?

Lévi Weemoedt (Vlaardingen, 1948) is het pseudoniem van Izaäk Jacobus van Wijk. Hij studeerde Nederlands en gaf van 1971 tot 1984 les op een scholengemeenschap in Vlaardingen.
Hij werkte mee aan het blad Propria Cures en aan een aantal radio en televisieprogramma's. Hij publiceerde gedichten en verhalen in kranten en tijdschriften en trad met Hans Dorrestijn negen jaar lang op met een literair cabaretprogramma.
Na 'Geduldig lijden'(1977), 'Geen bloemen' (1978), 'Zand erover' (1981), drie gedichtenbundels die samengebracht werden in 'Van harte beterschap' (1982) schreef Weemoedt voornamelijk verhalen en een roman.
Zowel in zijn poëzie als in zijn proza zijn melancholie en doodsverlangen belangrijke thema's, vaak met een satirische ondertoon.

'Het is in ons leven vreemd gesteld. Het is Lachen und Weinen, Weinen und Lachen', schrijft Weemoedt in een van zijn verhalen. Zeker in het onderwijs waar het zelfs meer huilen dan lachen was. Weemoedt gaf les maar stapte na dertien jaar op, niet zonder een mooi (afscheids) boek te hebben geschreven 'De ziekte van Lodesteijn' en 'De nadagen van Lodesteijn'.

Onderwijs en zwaarmoedigheid zijn de voornaamste bestanddelen van deze roman.
Hoofdpersoon is de 35-jarige leraar klassieke talen Lodesteijn. Hij staat tien jaar voor de klas en krijgt langzaam maar zeker het gevoel klinisch dood te zijn: 'Of hij zichzelf als leraar had overleefd en vanachter zijn eigen grafsteen toezag op wat hij voor de klas stond te gebaren.' De staf van de christelijke scholengemeenschap meent dat 'leraren de redders waren van de mensheid en de pijlers onder de maatschappij.' Lodesteijn heeft duidelijk een andere mening en die wordt hem niet in dank afgenomen. Zijn collega's beschrijft hij als 'een grauw en eerdrukkend volkje waaraan uiterlijk noch innerlijk ook maar iets te bespeuren viel van het comfortabele salaris dat in de regel aan deze volvette muizen van geest wordt uitgekeerd.'

Toen ik Weemoedt belde om een afspraak voor een interview te maken zei hij: "Bel me één dag van tevoren nog even op, want ik kan wel dood zijn." In levende lijve tegenover hem in zijn donkere studeerkamer in Assen vroeg ik hem: Wat heeft je in het onderwijs het meest gestoord?

"Ik stoorde me aan het type mens dat voor de klas stond. In mijn naïviteit geloofde ik dat er immer geïnspireerde en bevlogen mensen voor de klas zouden staan, welk vak ze ook gaven; dat verdienden die kinderen. Dat viel me reusachtig tegen. Ik had een afkeer van de docentenkamer. De problemen zaten altijd bij de staf of bij de collega's. Daar lagen de belangrijkste wrijvingen. Merkwaardigerwijs niet bij de leerlingen. Ik ben het allemaal vergeten dus het zijn hoogst onbetrouwbare uitspraken. Maar ik vond het lesgeven wel gezellig. Dat is bijna een gemis."

Je wordt de moderne Piet Paaltjens genoemd, omdat je gedichten deden denken aan zijn onsterfelijke studentenpoëzie.
Je schrijft:

Ik hief mijn hoofdje uit de kinderwagen,
en zag voor 't eerst de mensen om mij heen.
Ik stelde nog een paar gerichte vragen
en wist genoeg. En was gelukkig weer alleen.
En:
Mijn linker oog heeft het al opgegeven
en houdt de droeve wereld voor gezien.
In 't rechter piepert af en toe nog leven
achter verduisterd matglas van min tien.

"Ja, dat vind ik niet verkeerd, die vergelijking met Piet Paaltjens. Ik heb een zwak voor de zwaarmoedige Friese dominee François Haverschmidt, hij was een gevoelige man, die ik wel begreep. Hij kon bijvoorbeeld dagenlang last hebben van kleine beledigingen en onheuse bejegeningen, waar normale mensen geen last van hebben. Als recensenten akelig over zijn werk schreven, was hij zo uit het veld geslagen. Maar je weet hoe het gaat; als iemand schrijft dat Weemoedt gelijk Paaltjens is, dan neemt iedereen dat over en wordt het een cliché. Maar het is waar dat we en dan vooral qua Weltschmerz en Romantiek en het belachelijk maken van eigen depressies erg op elkaar lijken. Paaltjens schreef poëzie als student in Leiden en ook wel schetsen. Maar ik heb veel meer proza geschreven, naast m'n gedichtjes, dan hij."

In 'Bedroefd maar dankbaar' (1980), staan 16 verhalen. De mooiste, levensechte verhaaltjes vinden we voorin, waar Weemoedt smartelijke jeugdherinneringen ophaalt: over de ellende van een kampeervakantie, over tochtjes met een neefje op een Solex, 'nostalgisch rijwiel met hulpmotor'. Over schoolgaan, familieleden, God en godsdienst, studententijden en scheidingen. Alles verborgen onder een typisch laaghollands wolkendek van Lijden en Lachen. Het zijn schetsjes en gebeurtenissen met een nostalgische ondertoon en dat geldt ook voor zijn bundels met treurigmakende titels als 'Een treurige afdronk', 'Liefdewerk oud papier', 'Acte van verlating' en 'Halte Tranendal'.

Je mededelingen zijn vaak somber, maar je toon blijft licht. Bewust?
"Ik houd niet van duister, doorwrocht proza, maar van lichtvoetig proza. Dat is een kwestie van stijl. Wat je voelt of ziet moet op een heldere manier geformuleerd worden. Mijn enige criterium is: elke zin die je voorleest moet klinken. Dat geldt niet alleen voor poëzie, maar ook voor proza. Het is wel een verraderlijke stijl, dat heb ik gemerkt; want als je licht schrijft, denken mensen dat je ondiepzinnig zou zijn. Daar ben ik het natuurlijk niet mee eens. Nietsche schreef heel lichtvoetig, had stilistisch gevleugeld proza dat opwiekte en niet in duistere gronden wegzakte. Of ik me bewust ben van dat lichtvoetige? Ik zou niet anders kunnen. Het is nu eenmaal mijn manier ven schrijven."

Je bent na je studietijd in Vlaardingen blijven wonen, ondanks dat er uit je werk een haat-liefde verhouding met die plaats blijkt.

"Behalve dat ik er geboren ben gaf ik les in Vlaardingen, dat moet je niet vergeten. Het is een verschrikkelijk oord, maar daardoor ook boeiend. 't Is een soort permanent oorlogsfront met schoorstenen, chemische kanonnen en andere ellende. Als landschap was dat boeiend om te beschrijven, maar op een gegeven moment was ik er toch op uitgekeken. Je kan er niet over blijven schrijven. De laatste keer dat ik dat gedaan heb is in 'Ken uw klassieken' (1992, uitgeverij Contact). Daarin heb ik een verhaal geschreven 'De vrolijke antropoloog'. De ik-figuur in dat verhaal gaat na zijn studie culturele antropologie niet naar een ontwikkelingsland, maar naar Vlaardingen. Twintig jaar lang bestudeert hij de gewoontes van de inboorlingen en schrijft er een boek over, zoals zijn vakbroeders dat over de Masai of de Ibo zouden doen. Dat was voor mij levensecht, in zoverre dat ik wel tussen bekenden woonde, maar tegelijkertijd waren het vreemden voor me. Het werd me gewoon teveel op een gegeven moment.
Ja, en waarom ik naar Assen ben gegaan? Mijn vrouw en ik zijn al jaren weg van het Drentse landschap. Bovendien ben ik niet economisch gebonden (ik ben geen ambtenaar en niet werkzaam bij de Nederlandse Aardolie-maatschappij) en dan is het moeilijk ergens een stek te vinden. Ik ben een soort zigeuner, ik heb mijn letterhandel en die probeer ik uit te venten. Assen stelde geen eisen en ontving ons en dat schept grote dankbaarheid, en Assen is pretentieloos, heeft geen poeha, daar herken ik mezelf in. Binnen de Nederlandse literatuur, voor zover ik erbij hoor, ben ik ook een soort Assen."

Je 'Liedjes van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur' (1e versie 1987, 2e druk 1992) begint met 'Stemverklaring'. Liever depressief dan progressief.

"Ik ben nooit een actieve deelnemer geweest. Natuurlijk was ik wel een kind van mijn tijd, daar kan je niet onderuit. Dat onbeperkte vrijheidsstreven en dat gelijkheidsdenken van die tijd heb ik nooit begrepen. Ik was er huiverig voor. Ze vonden mij een reactionaire zak omdat ik tegen anti autoritair opvoeden was. Op een gegeven moment mocht je niet eens meer een hoofdletter schrijven, want als je bijvoorbeeld het woord 'het' met een hoofdletter H schreef, dan was de H ten onrechte de koning over de 'e' en de 't', en dan denk ik van: ja, krijg nou de hik. Dat is zo maf allemaal. Dat zogenaamd progressieve denken maakte dat we nu op de puinhopen van het socialisme zitten. Dezelfde afkeer heb ik van het CDA, mensen die zich labelen met het woordje christelijk. Daar heb ik evenzeer de pest aan als aan de PvdA. Dat houdt elkaar aardig in evenwicht."

Weemoedt met 'dt', dat maakt het nog melodramatischer zei Weemoedt eens.

Het volgende gedichtje is Weemoedt ten voeten uit:

Ik zit vaak op verlaten stadsstationnen
met in mijn mond een beet saucijzenbrood.
denk steeds: waarom ben ik de reis begonnen?
En: eig'lijk, eig'lijk wil ik liever dood.

Schrijf je om de weemoed de baas te blijven?

"In het begin zeker. De gedichtjes hadden een bezwerende functie. Ze hadden een praktisch nut: Als het om me heen of in me te zwart werd, werd het de hoogste tijd de zaak eens te ridiculiseren, zodat ik niet in dat zwarte gat zou verdwijnen. Dat gevoel had ik toen sterk. Bij alles wat ik schrijf is het een manier van kijken. Voor mij is het soort bril waardoor mijn oog eerder trekt naar sombere dan naar levenslustige zaken. In het algemeen was het zo dat ik me geen raad wist als ik niet schreef. Ik ben niet gelukkig als ik niet schrijf. Hoewel ik niet meer heb: Als ik niet kan schrijven hang ik me op. Met depressies leer je omgaan. En het is een bron om te schrijven; doordat je dingen sterker voelt dan andere mensen die alleen maar vrolijk leven. Dat geeft stof tot schrijven. Maar je kracht is vaak je zwakte: je kan er iets mee doen, maar je lijdt er ook onder."

Wat heeft je schrijversschap bepaald?

"Waarom ik het doe heeft te maken met: Een depressie zondert je af van de mensen. Ik kan niet werken en leven in een gemeenschap en dus neem ik afstand. Schrijven is afstand nemen. Ik zou het niet volhouden met mensen te werken, hoewel ik het wel zou willen. Mensen die veel alleen zitten hebben nogal eens de neiging een rondje tegen het papier te lullen. Zo gaat het.
Ik heb me wel eens afgevraagd wat het hart van een depressie is. De kern van het getob en gedoe is bij mij het gevoel dat je niet welkom bent in de wereld. Als kind al voelde ik me niet welkom (al besef je dat pas later). Of dat terecht is of niet, dat doet er niet toe; ik had er last van. Dat had tot gevolg dat ik dacht: Als ik m'n draai niet kan vinden temidden van de mensen, dan kan ik terzijde van hen toch een prestatie leveren, en wel op papier. En dan zit je een beetje in het niemandsland van de schrijver."

Hulpverleners, leraars, trouwlustigen en ambtenaren die je het kladblokpapier van de samenleving noemt neem je allemaal op de hak. Wie blijven er over?

"Natuurlijk blijven er wel mensen over. Ik scheld maar een potje in het rond, anders blijf ik ermee zitten. Je moet maar zo denken: al die mensen die niet in mijn verhaal staan zijn aardig. En dan valt het toch mee. Maar ik ben een satiricus en die generaliseren natuurlijk. Zo moet je dat zien.
Ik kan buitengewoon last hebben van mensen die niet aardig zijn. Als een taxichauffeur vervelend is dan denk ik er de hele dag over na waarom die man niet aardig is. Dat blijft misschien langer hangen dan bij andere mensen.
Aan de andere kant is het zo dat als hij om welke onverklaarbare reden plotseling heel aardig is, ik daar de hele dag plezier van kan hebben. Een aardig mens is een genoegen voor de ziel! Ik vat alle dingen persoonlijk op en dat grijpt dan ook dieper in.
Ik geloof niet dat de meeste mensen aardig zijn. Als je het daar niet mee eens bent dan heb je poep in je ogen of je lult maar wat."

'Acte van verlating' (1988) is een ontroerend boekje dat over Weemoedts verliezen aan het liefdesfront gaat: de van jongs af aan verstoorde relatie met zijn moeder en zijn gestrande tweede huwelijk. Twee vrouwen die hem verlieten en die hij niet uit zijn hoofd kon zetten.(Later trouwde Weemoedt voor de tweede keer met dezelfde vrouw en kreeg zelfs twee kinderen).

In 'Acte van Verlating' schrijf je, toen je je zoon vol overgave een kerstliedje hoorde zingen:

'Toen Tobias dat zong, vol overgave, was hij zo zuiver en ik besefte wat ik zou missen als ik hem niet meer had. Tegelijkertijd besefte ik hoeveel zuiverheid een mens moest verliezen om door de wereld te geraken.'

Heb jij nog wat van die zuiverheid?

"Ik hoop het, 'k weet het niet. Daar zit ik wel eens over na te denken. Als kinderen jong zijn huilen ze teveel. Moeders worden daar wel eens gek van. Als ze ouder worden huilen ze te weinig; dan is er sprake van een soort verharding. Als je als een kind bewogen kan worden bij werkelijk verdriet niet bij sentimentele lulkoek van huilen onder de kerstboom en als je het echte medelijden kent waarbij je in de huid van een ander kruipt, dan houd je je zuiverheid wel.
Het betrekkelijke voordeel van mijn baan of leven is dat ik niet zozeer de Jaap van Zweden hoef uit te hangen, dat ik niet als een commerciële klootviool naar ieders pijpen hoef te dansen en naar ieders mond te spelen, want dan kan je elke zuiverheid aan de wilgen hangen. De betrekkelijke eenzaamheid van mijn leven is in ieder geval een goed afweermiddel tegen dit soort huichelarij en zielsverkwanselarij."

Hoe verwerkte je dat je moeder zomaar uit je leven verdween?

"Nou, ze verdween natuurlijk niet helemaal voor niks, maar afgezien daarvan was het een flinke klap voor me omdat er niet over gesproken werd. De meeste schrikbarende dingen waaronder juist dit soort grote binnenkamer branden werden bij ons thuis niet benoemd, terwijl onbenullige dingen uitvoerig de verbale aandacht kregen. Je moest ook altijd doen alsof het niet erg was. Het leven ging gewoon door. Maar het ging niet om mijn moeder alleen; de wereld was een pijnlijke plaats om te vertoeven en mensen bezorgden elkaar veel pijn, dat ontdekte ik al jong. In het milieu van mijn tante, waar ik de eerste jaren verbleef was het warm, innig en zorgzaam. Dat heb ik gelukkig ook meegemaakt, anders had ik het misschien niet gered. Het ligt vanzelfsprekend deels in je aard en in je genen en deels in de dingen die je om je heen ziet en die je beïnvloeden, hoe je in elkaar zit. Ik ben niet alleen somber maar heb ook een lichte kant; als mannetje neig ik naar het vrolijke, vandaar de lichte toon in het werk. Ik kan licht en luchtig schrijven over dingen, maar er is altijd een schaduwzijde. Maar waarom zou je ook schrijven als alles leuk is?"

Je hebt een aantal jaren samen met Hans Dorrestijn opgetreden. Was hij je alter ego?

"Misschien wel. Iemand die op dezelfde golflengte zat en schreef. Maar hoe merkwaardig het ook klinkt, van de twee was hij de vrolijkste, terwijl hij toch als zeer somber bekend staat. We deden wel eens een wedstrijd in somberheid en die won ik altijd. Maar we hebben ook veel gelachen. Al is de narigheid je van nature ingegoten kun je toch veel lachen. We reden een tijd lang gierend van de pret door Nederland, tot we moesten optreden dan was het afgelopen met de leut."

Door een bepaalde stijlvorm kan je droevige dingen wat dempen, zodat het niet zo keihard op de mensen overkomt. In 'Halte Tranendal' (1991) beschrijf je vele treurige situaties (Je stelt jezelf voor als iemand die voortdurend lijdt onder de perikelen van vroegere en latere tijden) op een hilarische manier. Doe je dat voor de lezer of voor jezelf?

"In algemene zin heb ik een hekel aan mensen die je opschepen met diffuse gevoelens zonder dat ze je de loutering geven. Het mag niet zomaar zielig op papier gezet worden en dan moet de lezer het maar uitzoeken. Nee, aan schrijven zit een beleefde kant. Zou jij een cadeau willen hebben waar iets naars in zit? Je moet louterend schrijven, dat is je functie. Het mag de mensen niet neerdrukken, uiteindelijk. Zelf heb ik de neiging een eenvoudige tweedeling te maken van boeken die op je af komen: Voor mij zijn er inspirende en deprimerende boeken; van de laatsten word je zo down. Waarom zijn ze in godsnaam geschreven? Daar schiet toch niemand ene moer mee op."

De thema's in je poëzie zijn: ironie, overdrijving en de combinatie van verheven gevoelens met de nuchtere werkelijkheid. Je verhalend proza heeft dezelfde thema's: de hoofdpersoon is vaak een schlemiel wiens leven geteisterd wordt door mislukkingen, hopeloze verliefdheden en eenzaamheid (mede veroorzaakt door het in zichzelf gekeerd zijn).
Waarom schrijf je minder poëzie?

"Die schrijf ik inderdaad niet zo veel meer. Maar ik heb altijd een combinatie van beide geschreven. Van het begin af aan en dat is ideaal. De balans is echter doorgeslagen naar meer proza en minder gedichtjes. Ik noem het versjes die ik schrijf en die zijn afhankelijk van een ingeving. Als je de eerste regel hebt dan is het binnen een aantal uren gepiept. Bij proza moet je harder werken, dat heeft z'n charme. Het is allebei leuk om te doen.
Onbenullige opmerking haha, maar die moeten er ook tussen zitten. Weemoedt lult uit z'n nek en dan met die grafstem van me."

In Weemoedts nieuwste boek 'Ken uw klassieken'(1992, uitgeverij Contact) moeten er behalve de surfers ook anderen aan geloven, in volgorde van optreden: de 'oorleprozen' met hun walkmans, de ex-opbouwwerkers die hun vakanties lekker goedkoop in kloosters gaan doorbrengen, en de zo door vreemde culturen geboeide Hollanders die 's nachts een Grieks dorp wakker lallen met hun 'Minos waar is me feestneus?' Weemoedt maakt zich opgewekt boos over de dwaasheden van de dag, de 'New Age', de aura's, chakra's en mantra's.
Centraal staat in deze bundel pastiches een verrukkelijke brief die Weemoedt schrijft aan zijn vriend de antropoloog. Deze wetenschapper, die Weemoedt uit de binnenlanden van Afrika op de hoogte houdt van de bizarre varianten van de homo sapiens, krijgt op zijn beurt een epistel van de Vlaardingse schrijver. Daaruit blijkt dat men niet per se ver van huis hoeft om over een bizarre wereld te kunnen verhalen. De homo Vlaardingiensis mag er ook zijn.

Weemoedt hekelt nog steeds de waanzin van alledag. En hij schrijft opnieuw over somberheid die niet op te heffen is in het hoofdstuk 'Broeders des gemenen levens': 'Hoewel hij een druk, niet onfortuinlijk leven had, vrienden, bevredigend werk, hoewel hij beminde en werd bemind, was er altijd een donkere droefheid die hij niet verhelpen kon of verklaren maar die op de bodem lag van iedere dag.' De volgende dichtregels zorgen voor een goed tegenwicht:

De kerk gaat uit, je hoedje af:
het haar golft op je schouders.
En vanmiddag golf ik weer op jou,
desnoods tussen je ouders!

"Het is een tijdskritiek die ik in 'Ken uw klassieken' beoefen. Verschijnselen uit deze tijd die ik verfoei of die op m'n lachlust werken. Ik denk niet dat ik zo zal blijven doorgaan.
In 'Halte Tranendal' staat een verhaal 'De vriendin van mijn jeugd'. Ik had altijd het idee dat ik dat verhaal nooit echt heb afgeschreven. Ik heb er een vervolg op geschreven (hoe het leven van dat meisje is verder gegaan en hoe zij later in een tehuis voor geestelijk gehandicapten terechtkwam en hoe ik haar daar weer na tien jaar aantrof). Dat heeft niets met tijdskritiek te maken. Het is gewoon een recht toe recht aan verhaal over een meisje uit mijn jeugd. Dat vind ik net zo leuk om te doen als wat dan ook.

Al klinkt het allemaal wel opgewekt: vrolijk ben ik nu niet, dat komt door deze rottige decembermaand. Volgende keer ben ik vrolijker."
En bij 't afscheid in de deuropening: "Nou moet je al dat gelul ook nog uitwerken!"


Ellen de Jong