Warren, Hans - in 1996

IK ZIE MEZELF ALS EEN BOEKHOUDER VAN MIJN EIGEN LEVEN

Nederlands dichter en criticus Johannes Adrianus Menne Warren (1921) werd in het Zeeuwse dorp Borssele geboren. Hij woonde als enig kind met zijn ouders in een afgelegen huis op de dijk. Dit isolement heeft de latere ontwikkeling van de dich¬ter bepaald: er groeide in hem een sterke liefde voor de natuur, die samenging met een artistieke aanleg, in het begin in de richting van muziek en schilder-kunst. In beide heeft hij als jongen les gehad. Hij schreef in zijn lyceumtijd in Goes onder invloed van Jac. P. Thijsse ornithologische bijdragen voor het blad De Levende Natuur. In boekvorm verscheen in 1949 zijn ornithologische studie Nacht¬vogels. Literaire interesse werd bij hem op school vooral gewekt door het werk van Alain-Fournier, dat hem is blijven boeien. Zijn eerste verzen publi¬ceerde hij in de illegale tijdschriften Maecenas en En Passant (1944) en direct na de oorlog in Columbus. Vanaf de bevrijding tot 1949 werkte Warren als ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Borssele. Warrens eerste bundel poëzie Pastorale verscheen in 1946. In dat jaar begon hij ook met het schrijven van literaire kritie¬ken voor Vrije Stemmen. Vanaf 1951 schrijft hij regelmatig letterkundi¬ge kritieken voor de Provinciale Zeeuwse Courant. Toch heeft Warren zich steeds afzijdig gehou¬den van het literaire leven. In 1952 trouwde hij met de Engel¬se Mabel. Ze gingen in Parijs wonen. In 1957 keerde hij terug naar Zeeland en ging in het dorp Kloetinge wonen. Zijn huwe¬lijk strandde in 1975.
Warrens poëzie wordt sterk bepaald door zijn liefde voor de natuur, maar ook door een intens schoonheidsverlangen dat wordt overschaduwd door gedachten over verval en dood. Ook spelen thema's als erotiek en deugd een belangrijke rol. Het meest duidelijk is die thematiek verwoord in de bundels
Tus¬sen hybris en vergaan (1969) en Herakles op de tweesprong (1974). Diezelfde onderwerpen brachten hem ertoe veel werk van De Sade te vertalen. Ook verzorgde hij vertalingen van Alain-Fournier en Kaváfis, die hij zeer bewondert. Daarnaast stelde hij bloemlezingen samen: Mijn hart wou nergens tieren (1959), uit het werk van Boutens, en Spiegel van de Nederlandse poëzie (1979). Een door hemzelf samengestelde bloemlezing uit eigen werk Dit is werkelijk voor jou geschreven (1982), werd van een inleiding voorzien door G. Komrij. Warrens werk werd enkele malen bekroond. De grote betekenis die de natuur in zijn leven heeft vindt men terug in zijn verzen. Afgezien van de beschou¬wingen die hij over vogels schreef, heeft hij twee publicaties op de natuur toegespitst: In memoriam dr. Jac. P. Thijsse (1947) en veel later de bundel Betreffende vogels (1974).
Een directe reactie op wat er in de wereld gebeurt treft men zelden in het werk van Warren aan. Dat dit niet met onver¬schilligheid of met een esthetische afkeer van de realiteit te maken heeft wordt duidelijk uit enkele gedichten waarin hij wel reageert. Bijvoorbeeld het gedicht Grynszpan dat gewijd is aan de Poolse jongen die in Parijs in 1938 een Duitse legatie¬secretaris doodschoot; een bewogen protest tegen de terreur van de jodenvervolging.
Het gedicht zegt in zijn slotregels ook waarom er zo weinig over de oorlog in Warrens poëzie staat:

ik zie geen oplossing, maar sinds voor mij
die klok sloeg, op zeven november acht en dertig,
vermijd ik grote woorden, gescherm met leuzen,
staat het inderdaad tussen de regels.

Een neerslag van gebeurtenissen uit de oorlog is in Warrens proza ook wel te vinden. Afgezien van de zwakke aanzet tot een roman die in 1950 in De Gids verscheen, publiceerde hij in 1975 zijn eerste verhaal, de korte roman Steen der hulp. In deze vertelling over een joodse onderduiker die op een afgele¬gen boerderij onderdak vindt, is stof uit de oorlog verwerkt. Homofilie is een motief, maar centraal staat de botsing tussen liefde en geweld.
Warren is sinds 1983 vooral bekend vanwege zijn poëzie¬scheur-kalender, een bloemlezing van gedichten door hem samengesteld, waardoor hij Nederland weer aan het gedicht bracht. Tevens is hij verantwoordelijk voor het samenstellen van de Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie.
In 1981 publiceert hij ter gelegenheid van zijn 60ste ver¬jaardag het eerste deel van zijn Geheim dagboek, dat over zijn ervaringen in de oorlogsjaren handelt. Vervolgens verschijnen jaarlijks nieuwe roemruchte delen (waarin hij zijn leven in de periode tussen 1942 en 1978 beschrijft) die Warren zeer popu¬lair maken. Onlangs verscheen het twaalfde deel. Warren was ook voor de tv in het programma De Rook van de Vrijheid, waarin hij onder meer over zijn leven in de oorlogsjaren vertelt.
De dagboeken geven een openhartig en intiem beeld van de ont-wikkeling van de schrijver. De ervaring van zijn homoseksu¬ali¬teit krijgt veel aandacht (Warren is ruim twintig jaar ge¬trouwd geweest, kreeg drie kinderen en gaf pas in 1975 open¬lijk toe dat hij homoseksueel was), maar ook de ontwikkeling van zijn dichterschap. Men leert er zijn lectuur, zijn lite¬raire voor¬keuren in kennen.
Warren publiceert de dagboeken zonder enige terughoudendheid. Het zijn zeer openhartige en punctuele verslagen van zijn roerig leven waarin onder meer de gecom¬pliceerde ver¬houdig met zijn ouders, die niet onsympa¬thiek staan tegen¬over de Duitse bezetter, wat Warren veraf¬schuwde, en zijn vrienden en vrien¬dinnen ¬aan de orde komt. Warren schrikt er niet voor terug ook zwak¬heden en fouten van zich¬zelf te laten zien. Het is vaak een zeer kriti¬sche analyse van eigen per-soonlijkheid. Voor de Neder¬landse litera¬tuur is een zo open¬hartige en uitge¬breide dag¬boekpubli¬catie uniek.
In Warrens Verzamelde gedichten 1941 - 1981 (1981) zijn tradi¬tionele verzen te vinden, maar betrekkelijk weinig sonnetten. Later hanteerde hij de vrije versvorm van korte, haast proza¬ïsche gedichten. Warren is als dichter moeilijk in te delen, wat voor zijn authenticiteit pleit.
Warren presenteerde 13 september 1996 in de Zeeuwse Biblio¬theek in Middelburg zijn nieuwe werk: Ik ging naar de Noord¬nol, Natuur¬dagboek 1936 - 1942. Hij vierde daar¬mee zijn 75ste verjaardag, zijn 50-jarig schrijverschap en zijn 45-jarig jubileum als literair criticus. Op die dag was ook de offici¬le opening van de tentoonstelling rond zijn leven en werk.

Ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag stelde Tom Lanoy¬e een bijzondere bloemlezing uit de poëzie van Hans Warren samen: Wat doe je met me, Tijd?

Herfst in Kloetinge, het dorp waar Hans Warren met zijn le¬vensgezel Mario Molegraaf woont. De storm doet gekleur¬de bladeren hoog opwaaien op het pad dat naar de voor¬deur
l¬eidt. ¬Er staan nog een paar verlate horten¬sia's te bloeien.
Twee doorgebroken arbeidershuisjes blijken omgetoverd tot een uiterst genoeglijke stulp. Middenin het Zeeuwse land. Warren laat me trots zijn vertrekken zien: de werkkamer van Mario, op zijn bureau een boek getiteld: Plato. Mario en Warren vertalen samen zijn werk. De woonkamer, de hal, Warrens werk¬kamer. Een piano met een partituur van Hans Broekman:
'Vier Warren liederen'. Ik wijs hem erop. Hij lach¬t: "Toeval."
De kamers zijn gevuld met boeken, wat antieke meubels, beel¬den en allerhande kunstvoorwerpen. Romantische schilderijen aan de muren. "Ik verzamel graag kunst uit alle hoeken van de we¬reld', zegt Warren.
Wat een schitterend uitzicht op het land. "Ja, we wonen hier nog op een heerlijk verscholen plekje, maar helaas rukt de stad op."
Warren gaat in zijn comfortabele fauteuil zitten en kijkt me beminnelijk aan. "Haast u zich niet, ik heb de middag er voor uitgetrokken."

-U bewondert Kaváfis, vindt u zichzelf in hem terug?

"Zijn homoseksule gedichten spreken mij enorm aan, zoals u zult begrijpen. Kaváfis belijdt heel openhartig de homoseksule liefde in zijn verzen en dat vond ik dermate aangrijpend dat ik me ook in zijn andere verzen ben gaan verdiepen. Ik kende zijn werk wel, in de vertaling destijds van professor Blanken, maar Blanken was een keurige man en die had kennelijk een afkeer van Kaváfis' homoseksuele verzen en vertaalde ze dus niet. En die vond ik nu juist de mooiste. Ik had zelf op een bepaald moment een bundel gedichten 'Zeggen wat nooit iemand zei' die ik wilde publiceren en in een gedicht in die bundel refereerde ik aan een paar verzen van Kaváfis die niet in het Nederlands waren vertaald en ik dacht: die ga ik nu zelf vertalen en zodoende heb ik toen die twee vertaalde gedichten van Kaváfis in mijn eigen bundel ter illustratie opgenomen. Later heb ik die andere verzen over de liefde vertaald en in een klein bundeltje uitgegeven, dat door de lezers heel erg gewaardeerd werd. In die tijd leerde ik Mario kennen en hij was ook een groot bewonderaar van Kaváfis' ge¬dichten, en samen hebben we toen meer gedichten van hem vertaald. Uitgever Bert Bakker vroeg of we ze allemaal wilde vertalen en dat hebben we ge¬daan. Ze zijn toen niet alleen uitgegeven, maar meerdere malen herdrukt."

-Heeft de poëzie van Kaváfis de uwe beïnvloed?
"Ik had wel eens teksten en poëzieachtige teksten ge¬schreven die een beetje Kaváfisachtig aandeden voordat ik ooit iets van hem gelezen had. Er moest dus wel een soort samenklank zijn. Later heb ik als hommage en een beetje als pastiche wel eens opzettelijk enkele gedichten geschreven in Kaváfis stijl."
Warren schrijft in zijn geheim dagboek 1942:
'In mijn natuurdagboek, dat ik nu twee en een half jaar bij¬houd, schreef ik soms dingen op die ik liever voor ieder verborgen wil houden. Omdat ik een uitlaatklep moest hebben voor mijn spanningen; om te praten in eenzaamheid of verdriet. Nu ga ik een tweede, geheim dagboek beginnen. Een 'dag'boek in de letterlijke betekenis van het woord zal het wel niet wor¬den, meer een schrift waarin ik me geregeld uiten kan als ik er behoefte toe voel. Het wordt een 'geheim' dagboek, omdat ik niet wil dat iemand anders er een vermoeden van hebben zal dat het bestaat. Ik zal er zo eerlijk mogelijk in zijn, er alles in noteren, behalve de enkele dingen waarvoor ik me te diep schaam om ze ooit aan het papier toe te vertrouwen. Ik bewaar dit cahier in het afsluitbare vak van mijn boekenkast, waarvan het deurtje van nu af op slot gaat, dat deed ik anders nooit.'

-Uw dagboek is dus een uitlaatklep voor uw spanningen en een vriend in pijn en verdriet. Het dagboek als geneesmiddel.

"Absoluut, als therapie en gesprekspartner; maar ook als middel om je bestaan te registreren. Ik zie mezelf als een boekhouder van mijn eigen leven. Ik ben als jongen al begonnen met het schrijven in mijn dagboek, maar wist toen nog niet dat ik schrijver en dichter zou worden. Zelf zie ik nu dat die jongen, ik spreek over hem als een vreemde, alles in het werk stelt om mooi te schrijven, om iets op te roepen. Ik hield dagboek zoals André Gide en Julien Green dat bijvoorbeeld deden. In Nederland gebeurde dat niet en ik dacht: zo wil ik het ook en ook altijd blijven doen, want ik vind mijn dagboek bijna net zo belangrijk als mijn gedichten. Het zijn twee gelijkwaardige uitingen. Het dagboek gebruik ik letterlijk voor alles, als werkplaats, uitlaatklep en als ik zin heb om een verhaal te schrijven en ik pak geen ander papier dan begin ik het in het dagboek te schrijven. Ik zet er gedichten in, overdenkingen over boeken en schrijvers, ik reageer er mijn woede en ruzie in af, alles komt er in."

-U houdt veel van de natuur en vooral vogels hebben uw grote liefde.

"Het huis waarin ik opgegroeid ben was bijzonder afgelegen. Ik was enig kind, een eenzaam jochie. De vele kippen die we hadden waren mijn speelgenootjes maar ik was in het algemeen geboeid door beesten. Hoe ze zich bewogen en dergelijke. Er waren natuurlijk ook veel vogels in dat gebied en ik vermoed dat door het zien en bekijken van die vele vogels mijn liefde werd gewekt. Ik vind ze nog verschrikkelijk mooi. Als ik een dierentuin bezoek, ben ik eerder bij de vogels dan bij de giraffen of de apen."
Warren lachte hartelijk, zijn ogen glommen van pret, hij maakte fladderende gebaren, die op 't klapwieken van vogels leken, ter¬wijl het licht schuin op zijn opvallend slanke polsen viel.
"Er lagen ook altijd veel veren in de vloed¬lijn, die me trof¬fen. En mijn vader, die waterbouwkundige was, gebruikte op zijn tekenta¬fel wissers en die waren gemaakt van eendenvleu¬gels en die hadden zulke prachtige groene spiegels dat vond ik zo magnifiek, dat had ik liever dan al dat speelgoed.
Warren schrijft in 1951:
'Misschien is dit wel wat ik het liefste doe: de dagen laten verstrijken, de nazomer voelen naderen over de velden, dorsma¬chines snorren, een schip vaart voorbij. Soms pinkelen opeens in het lover van een hoge boom trekkende mezen, de hemel heeft een kleur waaronder alles inslaapt, en de boerderijen achter de hoge, volle velden lijken ook dood tussen hun sombere groen. Daar beneden slapen ganzen, kippen, de hofhond, een boeren¬meisje.'

Deze regels ziet Warren als een soort prozagedicht, een aanzet tot zijn dichterschap. "Het zijn evocaties, met woorden iets moois proberen op te roepen; natuurlijk ook een behagen schep¬pen in het mooie, een zeker esthetisisme zit er ook in. Ik ben een schoonheidzoeker."

Warren schrijft: Ik ging naar de Noordnol is een boek waarin mensen een bijrol spelen. Het bevat aantekeningen die ik tussen 1936 en 1942 maakte, voornamelijk over de natuur. Ik kan me voorstellen dat sommigen dit afschrikwekkend in de oren klinkt: weinig mensenproblemen en veel vogelavonturen. Want ik behoor tot de generatie die gestempeld is door versregels als 'De walm van stoomtram en van bleekerij (...) is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen' (Vestdijk, 'Zelfkant') en 'Natuur is voor tevreden of legen' (Bloem, 'De Dapperstraat').
Regels die een vrijbrief lijken te zijn om auteurs die de natuur als onderwerp kiezen, te minachten. Om hooghartig de spot te drijven met iemand die weet dat de koekoek eind juli al niet meer roept, of die een tjiftjaf van een fitis kan onderscheiden wanneer ze niet zingen.'
En:
'Dit is het boek over het verloren paradijs van mijn jeugd. In het gebied waarin ik mij zo thuis voelde, weet ik nu de weg niet meer. Het huis waarin ik woonde, werd al lang geleden gesloopt. De Noordnol bestaat nog wel, maar hij werd een onnozel pad aan de voet van de beruchte kerncentrale Borsse¬le. Door de kreek, waarbij ik bijna een mensenleven geleden zo heb genoten en zoveel heb geleerd, stroomt nu het koelwater van die verouderde centrale.'

Ik zei Warren dat ik het interessante passages vond.
Hij knikte stilletjes.
Daarna las ik hem de volgende regels uit zijn dagboek voor:

''s Avonds nog gezwommen in de Schelphoek. Een boerenvrouw in de Zeeuwse klederdracht, breiend aan de waterkant, met een druk spelend en pratend kind, in de absolute stilte, onder de parelmoerige, wazige atmosfeer. Een dwergstern plonsde telkens voor hen neer in het kalme vloedwater. Zó gewoon, en toch vervulde dat tafereel me met diep geluk. Het was zo mooi, ik keek als een buitenstaander, als iemand die lang afwezig is geweest en thuiskomt. Ik heb vaker zulke gevoelens, maar meestal kom ik er niet toe ze op te schrijven.'
Warren keek mij stralend aan:
"Ik vind het heel bijzonder dat u dit eruit pakt. Ik had toen nog nooit een gedicht geschreven en dit is de essentie van een gedicht voor mij. Het is die bepaalde stemming waaruit mijn eerste gedichten geboren werden, een eerste aanzet van een dichter die nog beginnen moet. Je voelt iets heel lang gele¬dens in je en je wilt dat onder woorden brengen, maar het is nog geen gedicht, maar het loopt er wel op uit. Heel merk¬waardig dat u dit opvalt."

-U blijft tot op de dag van vandaag dagboeken schrijven.

"Het ligt in mijn bedoeling het dertiende deel in ieder geval volgend jaar te publiceren, maar ik weet nog niet of het in het voorjaar of najaar zal zijn. Of ik elke dag in mijn dag¬boek schrijf? Nee, want wanneer je heel intens leeft kan je haast geen dagboek houden. Je maakt wat vlugge notities, en die werk je later uit.
Ik ben nu ook bezig voor mijn dertien¬de deel dingen over te schrijven en uit te werken, maar dat kost veel tijd en vandaar dat ik nog niet weet of het in het voor- of najaar zal ver¬schijnen."

-Uw poëziekalender heeft een ongehoord grote oplage. Hoe is dat mogelijk?

"De kalender bestaat al minstens tien jaar en wie hem eenmaal heeft die koopt 'm elk jaar weer. Ik denk dat mensen toch graag poëzie lezen en ik probeer een zo gevarieerd mogelijk aantal gedichten te brengen. Voor elk wat wils. Welke dich¬ters komen er in en welke niet? De normen die je daarvoor hanteert zijn veel minder streng dan bijvoorbeeld voor de Spiegel van de Neder¬landse poëzie. Een heleboel gedichten die in de kalen¬der wel kunnen, passen daar niet in. En zo als u weet zit er altijd een wedstrijd in en daar komen vaak zulke aardi¬ge inzendingen op, soms zitten er zelfs ju¬weeltjes tus¬sen. Voor 1997 is het thema muziek, niet alleen maar Bach en Scar¬latti, maar ook allerlei popmusici. Dus zoveel mogelijk varia¬tie. Heb je twee Christelijke feestdagen dan komt er een spotgedicht en een echt Christelijk gedicht. Het zotte is dat iedereen eerst kijkt welk gedicht er op zijn verjaardag staat, dat heb ik in de prak¬tijk onder¬vonden. Staat er dan net een gedicht wat niet klopt dan is het natuurlijk niet goed!"
Warren kneep zijn ogen tot spleetjes en lachte gelukkig in zich zelf. "Ik blijf elk jaar zo'n kalen¬der uitgeven."

Het volgende gedicht uit Wat doe je met me, Tijd? is Warren ten voeten uit:

Landelijke Herfst

Bijt in je mond de rode appels stuk,
de herfst is er, met overvloed van vruchten.
Kijk zittend op het terras naar vogelvluchten
die rustloos trekken naar een nieuw geluk.

Knip met een scherpe schaar de druiventrossen
en schep de honing in een stenen schaal,
dan zal ons landelijk, eenvoudig maal
de schade van het zomereind inlossen.

Als wij verzadigd zijn, laat ons dan rusten,
vermoeienis wegkussen van 't geliefd gezicht
en vreugdig zijn om het ijle zonnelicht
dat in de ruit vonkt en waast langs de kusten.

Hoor rond het ooft de felle wespen zoemen,
pluk in de avondtuin de laatste helle bloemen.


Warrens boeken zijn uitgegeven door Bert Bakker, zijn poëzie¬kalender bij Meulenhoff.


Ellen de Jong-de Wilde