Vinkenoog, Simon


Geen zout op m'n staart

Van de befaamde dichter Simon Vinkenoog (1928) wordt zijn vroege werk de laatste jaren nogal eens herdrukt omdat hij als woordvoerder van de Vijftigers langzamerhand een monument is geworden in de Nederlandse letteren. Zo stelde hij in 1951 de eerste experimentele bloemlezing Atonaal samen, waarin poëzie te vinden is van dichters die als de Vijftigers de literatuurgeschiedenis zijn ingegaan.Simon Vinkenoog was uitgever van het tijdschrift Blurb en medeoprichter van Randstad. Zijn schijnbaar chaotische, uiterst persoonlijke, felle en doorleefde poëzie is een onstuimig zoeken naar de zin van het zijn en het leven. Behalve gedichten schreef hij ook romans, kronieken (in het tijdschrift Bres), dagboeken en vertalingen. Waar men Vinkenoog bovenal dankbaar voor moet zijn is dat hij zo'n zorgvuldig archivaris is. Tal van documenten zijn uitsluitend door Vinkenoogs toedoen behouden gebleven. Dat geldt ook voor de Brieven van Vinkenoog en de dichter Hans Andreus. Tussen 1950 en 1956 hebben de beide dichters heel wat brieven gewisseld. De schrijvers zijn openhartig over hun soms turbulente leven, geven commentaar op pas ontstaan werk en gunnen ons zo een verrassende blik op de letterkunde in die dagen. In 1950 debuteert Vinkenoog met de dichtbundel 'Wondkoorts', drie jaar later verschijnt 'Heren zeventien'. Zijn eerste roman 'Zolang te Water', schrijft hij in 1954, een verhaal over een gekwelde jeugd, in de pers afgedaan als aanstellerij, maar ook geprezen als een document van uitzonderlijke waarde.
In 1957 volgt de roman 'Wij helden'. Van 1949 tot 1956 werkt Vinkenoog bij
de Unesco in Parijs, 'om de Hollandse gezapigheid te ontvluchten', maar
keert daarna weer terug naar Amsterdam, waar hij een baan bij de Haagse
Post krijgt. In 1962 verschijnt zijn roman 'Hoogseizoen', waarin hij als eerste in Nederland schrijft over de drugsscène van het Leidseplein.
Enkele jaren daarvoor maakt hij kennis met LSD, tijdens een medisch
experiment in het Wilhelminagasthuis. Vinkenoog zegt hierover: 'Ik kreeg oog voor dimensies die ik daarvoor niet kende. Tijd en ruimte bleken geen vaststaande begrippen te zijn. Daar had ik voor mijn 31ste geen idee van gehad.' Vanaf eind 1961 is Vinkenoog fulltime schrijver. Na 'Hoogseizoen' heeft Vinkenoog geen romans meer geschreven. Er verschijnen nog wel dagboeken 'Liefde', dichtbundels 'Mij best', 'Bestaan en begaan', 'Het huiswerk van de dichter', bloemlezingen, vertalingen en prozaboeken 'De
andere wereld'. In 1986 publiceert hij dagboeknotities onder de titel
'Stadsnatuur', die een verslag zijn van een actief dichterlijk bestaan, waaronder poëzieworkshops en voordrachten. Een jaar later verschijnt een
herdruk van Leven en dood van Marcel Polak uit 1969. Het boek bevat brieven van Marcel Polak, een goede vriend van Vinkenoog, en Vinkenoogs
herinneringen aan hem. In 1987 wordt 'Heren zeventien'(De Bezige Bij)
herdrukt, de titel verwijst naar de Hoogmogende Heren die in de 17e eeuw de Verenigde Oost-Indische Compagnie bestuurden en in de bundel komen al die kenmerken van de Vijftigers die hun poëzie toch al niet eenvoudig maken in geconcentreerde vorm samen: de associatieve woordenreeksen, de neologismen, de grammaticale afwijkingen, de dubbelzinnigheden. Om Vinkenoogs kroonjaar te vieren geeft poëzie uitgeverij De Beuk 'Op het eerste gehoor' uit, de inhoud is als al zijn werk een getuigenis: niets is er dat tot afscheid noodt, de dagen worden langer en niets ter wereld leeft terwille van de dood. Gedichten met adem, één lange recycling van dag en nacht tot poëzie op Vinkenoogs eeuwige thema, de vrije mens, altijd tot alles bereid. Zijn jongste werk 'Louter genieten' bestaat uit een luxe uitgegeven
verzameling van pasteltekeningen en teksten over beeldende kunst. De tekeningen zijn vrolijk en kleurig. 'Ik ben een blijmoedig iemand en dat straalt mijn werk uit', zegt Vinkenoog.

Toen ik in Amsterdam-Noord door de Asterlaan liep, op weg naar de volkstuin van Simon Vinkenoog en Edith Ringnalda, zag ik hen in de verte al druk bezig in hun geliefd domein (De tuin heeft mijn leven net zo ingrijpend
veranderd als LSD, zegt Vinkenoog in een interview).
Trots laat Edith me de trossen druiven zien die een heerlijk afdak vormen in een hete zomer. Honderd kilo plukken we, zei ze en die gaan naar een
bevriende stoker die er grappa van maakt. Simon: "Het toeval wil dat ik hier vlakbij, op de Nieuwendammerdijk, m'n eerste levensjaren heb doorgebracht, dus terug naar mijn roots. Edith ging koffie zetten, Simon volgde haar met liefkozende ogen. "Schrijf maar op: Geluk vind je alleen met z'n tweeën, de rest mag buiten blijven. Zo, begin nu maar."

-Je benadrukt het orale karakter van je teksten: de noodzaak deze hardop te
(horen)lezen. "Ja, want ik vind dat de stem van een dichter net zo belangrijk is als zijn stijl of z'n handschrift. Als je iemand hoort dan kun je zien waar hij een stilte neerzet of iets benadrukt, klemtonen legt. Als je leest, moet je ze zelf weten te leggen, het is eigenlijk gemakkelijker. Ook leuk is het om het gezamenlijk te doen, zoals bij Poetry International bijvoorbeeld, daar krijgen mensen de teksten van tevoren uitgereikt dus je kan zelfs de man in zijn eigen taal horen en de vertaling ernaast lezen. Wat nodig is bij Russen, Japanners en Chinezen."

-Drie grote ervaringen in je leven.
"De hongerwinter, LSD en mijn leven met Edith (een ervaring waar ik vol van zit). In de hongerwinter ben ik bijna van honger gestorven, en heb ik
uitgevonden wat honger is, zodat ik de rest van m'n leven met antioorlogs en antihongerideeën rondloop. En wat je eraan kunt doen is zoveel mogelijk vrede in je eigen huis en omgeving betrachten. De LSD heeft me herboren doen worden, ik ging door een rebirthing gebeuren heen. En m'n leven met Edith heeft me laten zien dat de liefde, waar ik altijd naar uitzag, en het geluk dat ik roemde en zag als normale menselijke staat, dat dat te beleven is. Met Edith beleef ik het leven. Weten dat je inslaapt en wakker wordt naast degene die je liefhebt, de eerste en de laatste blik en al het heerlijke wat er tussen inzit."

-Beschouw je jezelf primair als dichter? Uit je poëzie zie zou een prachtige bloemlezing samen te stellen zijn.
"Er komt in oktober een bloemlezing van mijn poëzie, ingeleid en
samengesteld door Coen de Jonge, fan en kenner van mijn werk. Als je je vooral dichter voelt zoals ik, dan houd je je met schoonheid bezig en met
harmonie, ritme en melodie en dat zit tegen de muziek aan. En ik vind het
dan ook heerlijk om mijn gedichten te lezen met begeleiding van muziek.
Afgelopen weekend deed ik dat op het Crossing Border Festival in Den Haag:
ik werd begeleid door het geweldige vioolspel van Lucas Amor en de
subtiele percussieritmes van Sylvia van Swieten; dat is zalig: je springt een gedicht binnen en zij vergezellen je. Samen op een boot over die oceaan
van geluid!"
-Je schrijft: 'Poëzie is niet alleen woorden, maar ook adem, ritme. Daarom ben ik van het papier getreden. Ik ben geen klassieke romanschrijver, maar een Ich erzähler. Ik ben voor volstrekte individualiteit, blijf anarchist, tegen
de stroom in. Daardoor val ik overal een beetje buiten, geloof ik'.

"De goede mensen vallen altijd overal buiten, denk maar aan Lucebert,
Claus, Freek de Jonge en Youp van 't Hek. Echte mensen die iets te zeggen hebben behoren niet bij een mainstream, dat zijn allemaal nonconformisti-sche individualisten."

-In een interview zeg je: 'Ik heb nu een leeftijd bereikt dat ik me niets
meer van anderen hoef aan te trekken.'
-Heb je dat dan ooit wel gedaan? "Nee, ik heb me inderdaad nooit geconformeerd en ben altijd een beetje een enfant terrible gebleven. Door de LSD heb ik ervaren dat hoe duister ook de tijd, het licht in de mens zelf zit. En dat uitstralen is een levenstaak,die ik graag vervul. Maar, ik heb me vroeger wel eens ingehouden, omdat de kinderen aan me zaten te trekken en vonden dat ik me aanstelde. Aan de andere kant liet ik me meer gaan want dat schreeuwen in cafés wat ik vroeger wel eens deed doe ik nu niet meer. Ik wil m'n kruid niet meer verschieten en ga ook niet meer bepaalde dingen van de daken schreeuwen."

-Je noemt jezelf een historisch monument en je zegt: 'Ik ben geheel en al
mezelf en wil van iedereen zijn'.
"Ja, een historisch monument, maar met de nadruk op nu. Edith vulde aan:
Simon is ooggetuige van alles wat er vanaf de Tweede Wereldoorlog is
gebeurd. Hij is overal bij geweest. Simon: "Ik ben een generalist en dat kwam ook door mijn werk bij de Unesco, want die hamerde op problemen die nu
wereldproblemen geworden zijn: het racisme, de discriminatie, de overbevolking en de vervuiling. Geen zout op m'n staart en blijven kijken
en nooit in een hokje passen, geen gekooide vogel zijn. Ik ga tekeningen
maken en die noem ik dan zo, dat vind ik leuk."
Vinkenoog verkneukelde zich.
-Rond je zestigste ben je aan een nieuw leven begonnen, schrijf je. Wat
houdt dat in?

"Nog nooit eerder heeft een vrouw namens mij kunnen praten; als wij praten
zijn we één. Wij kunnen ook geen ruzie maken, want ruzie met de ander maken is ruzie met jezelf maken. Ik leef in de hoorn des overvloeds.
Grâce à Dieu, zeg ik er altijd bij."

-In je bundel 'Op het eerste gehoor' schrijf je de karakteristieke regels:
Mij krijgen ze niet klein. Ik ben niet stuk te krijgen. Vinkenoog ten voeten uit?

"Ja. Ik maak er ook wel eens van: Ons krijgen ze niet klein, de dichter in
ons krijgen ze niet klein, want daarmee benadruk ik het dichterlijke dat in
ieder mens zit, het ontroerd en even sprakeloos kunnen zijn, het even
opgetild zijn boven je dagelijkse sociale zelf. Zoals wij hier door die tuin dwalen, een bloemetje aanraken, een stokje zetten. De laatste woorden
uit Candide, een boek van Voltaire, spreken mij aan: 'Allemaal mooi gezegd,
maar voor je tuin moet je zorgen'. Je eigen straatje schoonhouden, ik was
ermee bezig toen je binnenkwam."
Tot slot las hij twee gedichten voor:

Werk aan de winkel

Winkelend naar ware woorden
vond ik niets dan gedichten.
Hebt u geen andere, zei ik,
teleurgesteld. Helaas, nee, zei de winkeldochter, op geen ander woord wordt prijs gesteld.



Genesis

Er werd een blaadje papier omgeslagen,in de aanvang van de schepping. Een pen schaatste, een potlood kraste, adem werd hoorbaar, het gedicht bestond. Op hoge poten gaat het vers de wereld te lijf, wetend, van wanten.

Ze keken me na toen ik hun straatje afwandelde.

Ellen de Jong