Uphoff, Manon - 1997


Voor wie die droom heeft is die waardevol.

De verhalenbundel 'Begeerte', het indringende debuut van de Utrechtse schrijfster Manon Uphoff (1963), werd genomineerd voor de ECI-Prijs 1997 en geselecteerd voor de longlist van de AKO-Literatuurprijs 1996. Ze publiceerde verhalen in onder meer De Tweede Ronde, de Groene Amsterdammer en De Gids. Begeerte bestaat uit twee delen. In de eerste vijf verhalen zijn jonge meisjes en hun ontluikend sexueel verlangen het belangrijkste onderwerp. Hun verlangens worden vaak op een bizarre en geweldadige wijze bevredigd, dikwijls niet zonder dat ze daar tevens plezier aan beleven. Geweld en lust gaan hand in hand. Zoals in het titelverhaal Begeerte waarin het over een ontmaagding gaat. De hoofdpersoon ervaart totaal onver¬wacht een grote lust bij zichzelf, als ze door een bui¬tenlander wordt meegenomen naar een pensi¬on. 'Ze hield van sprookjes, maar niet van die waarin alles tot een zoet einde komt', schrijft Uphoff. Lichamelijk geweld is ook van belang in het verhaal 'Brand' dat een meisje vertelt over haar zus¬ter. Een aantrekkelijke vrouw die onmogelijke mannen kiest en in aanwe¬zigheid van haar jonge zusje door zo'n man wordt mishan¬deld. Het is een beklemmende scène. Het zusje schrijft: 'Jaren later stond ik in een t-shirt op het winderige balkon van mijn flat en keek de rechte rug van mijn in de nacht wegfietsende min¬naar na. Ik voelde de warmte van zijn huid nog op de mijne en de schroeiplekken van zijn klappen op mijn wangen. Rillend leunde ik over de balustrade en jankte hem als een hond terug mijn bed in. Het was de eerste keer dat ik het hart van mijn zus in mijn borst voelde kloppen.'

-Het verhaal gaat over je zus maar ook over het meisje dat naar haar kijkt. Dat kijken naar is een belangrijk thema in je verhalen.

In een Utrechts café scheen het volle licht op Manon Uphoffs lange zwarte haar dat ze zwierig naar achter schudde. Ze keek me een even nadenkend aan voor ze antwoord gaf:

"So wie so zijn zintuiglijke waarnemingen belangrijk in alle verhalen. Maar in dit verhaal is het kijken inderdaad van wezen¬lijk belang. Het gaat hierin over een oudere zus en een jonger meisje dat haar voorbeelden, zoals iedereen dat doet, in haar directe omgeving zoekt. Meer nog dan je ouders die op grotere afstand van je staan zijn broers en zuster represen¬tatief voor wat jij zou kunnen worden. Hoe handelen ze en hoe gedragen ze zich en daaruit put je informatie. En zo werd die zus ook bekeken door het meisje en daar trok ze lering uit. Dat kijken naar kan ook een persoonlijk tintje hebben want ik heb zelf ontzettend slechte ogen en kijken is voor mij iets
heel beladens, vooral toen ik jonger was en mijn ogen nog slechter waren dan nu. In die zin krijgt kijken een extra accent voor me en daar komt bij dat ik uit een milieu kom waarin het visuele altijd een grote rol gespeeld heeft: mijn vader is beeldend kunstenaar dus die was de hele dag bezig met het visuele. Dat heb ik gewoon meegekregen.

Ik ken ook geen andere manier van schrijven, ik heb het wel eens op een intel-lectuele manier geprobeerd maar dan raak ik de grip kwijt, mijn ogen zijn op de één of andere manier mijn lei¬draad, mijn gids. Daarmee kan ik dingen in verband brengen en aan elkaar koppelen."

'Vlees' is het langste verhaal uit het eerste deel. De hoofd¬persoon is een jong meisje dat vlees haat, misschien omdat ze er teveel van houdt. Ze is dan ook in de puberteit en dochter van een slager. 'In ons gezin draaide alles om vlees'. Ze haat vlees, maar ze denkt en droomt van niets anders. En dan staat vlees voor veel meer dan de sukadelappen en varkenshaas¬jes die ze stelselmatig weigert of stiekem uitspuugt, vol puberale walging voor de ongevoeligheid van de hand die haar voedt. Dat is uiteraard de hand van haar vader, met wie haar moeder, zo heeft die een keer verteld, getrouwd is om de biefstuk die hij haar gaf in de hongerwinter. Ook al zoiets plats, vindt ze. 'Je mag het tegen niemand zeggen, maar ik heb mijn hart ge¬ruild voor een biefstuk', laat haar moeder zich ontvallen.
Vlees staat voor alle vlees. Zo laat het meisje zich ook walgend, maar vol deernis en toch met een soort ziekelijke lust betasten door een zwerver in de struiken. Ze kan weglopen maar doet het niet. Ze walgt ervan maar het fascineert haar ook. 'Wat ik begeer zou ik al vechtend willen veroveren (...) Wie zegt dat vrouwen voorzichtig benaderd willen worden steelt het vuur van hun passie (...) Ken jij genot zonder vrees? Lust zonder woede?' schrijft Uphoff.

Weer dat dubbele.

"Al schrijvend kom ik soms op tegenstellingen maar blijk¬baar zit het ook in mijn aard want ik vind het spannend en houd ook heel erg van contrasten. En, om even terug te komen op het visuele, ik heb ze nodig om überhaupt dingen te kunnen zien. Bovendien valt het me ook op in het dagelijkse bestaan dat het leven van de meeste mensen een aaneenschakeling is van tegen¬strijdigheden en dat vind ik ook heel mooi, daar zit veel poëzie in. En misschien is het iets dat ik vooral in het gedrag van vrouwen naar buiten zou willen halen juist omdat die vanuit de cultuur gezien zo vaak eenduidig worden bena¬derd. Ze worden vaak platter en tweedimensionaler geduid dan ze in werkelijkheid zijn en ik vind het heel leuk om juist dat in mijn verhalen te laten uitkomen. Maar ik zit niet van tevoren klaar met een lijstje: dit is mijn concept en daar ga ik een verhaal omheen bakken, het is mijn innerlijke bele¬ving."

Je maakt van die zwerver De Hazelaar bijna een ideale gelief¬de, want je schrijft: 'Maar mijn liefste verhaal ligt op de bodem. In dat verhaal leef ik lang en gelukkig met een man naar wie ik lang gezocht heb. Een man met bruine, zachte ogen en haar dat dwarrelt als pluisjes in de wind (...) Een man die mij zijn broek los laat knopen en kijken zolang ik wil. Een man die me teder neemt. Teder, aandachtig en lang. Of ruw en hard, als ik daarom vraag, zo hard en ruw als hij kan. Die niet schrikt als ik tegen hem zeg dat hij me dwars door de aarde heen moet duwen, naar de plek waar de struiken groeien. De plek waar het altijd warm is. Naar de plek waar ik De Hazelaar kan ruiken'.
"Je kunt het oppervlakkig lezen en het op elkaar leggen en zeggen: dus die Hazelaar ver¬te¬genwoordigt haar ideale partner
op het moment dat het meisje hem ontmoette en dat is natuur¬lijk niet zo, het is een omvorming die veel later plaats vindt, die zij zelf maakt.

Ik ga ervan uit dat je in je eigen denken door het werken met taal en met beelden een grote macht hebt over het herin¬richten van je verleden, van de dingen die je hebt meege¬maakt, dat wil niet zeggen dat ze op dat moment niet zo waren als ze waren, heel vervelend, saai en wreed. Maar ik zie het dan toch als materiaal waarmee je later in je leven mag doen wat je wilt. En daar hoef je geen kunstenaar of schrijver voor te zijn. Het ging me erom te laten zien dat het voor dit meisje open ligt, dat je altijd kunt componeren. En in het componeren ervan, in het werken met je beelden en je herinne¬ringen ben je zelf actief en dat vind ik één van de leukste dingen die er zijn. Het is ook gevaarlijk want je kunt je geschiedenis ermee vervalsen maar dat is ook een macht die je hebt. Je moet alleen uitkijken dat je de geschiedenis van anderen niet vervalst en die verkoopt als de echte."

Taal heeft een grote macht, want je kan De Hazelaar zelfs tot je geliefde verheffen.

"Precies en ook omdat zelfs iets angstaanjagends en bedrei¬gends niet eenduidig is. Het oog, de handen doen op verschil¬lende momenten indrukken op. Iets wat hard is en onprettig om aan te raken kan wel heel spannend zijn om naar te kijken. In die zin zit er een discrepantie tussen wat je ogen zien en wat je belevingswereld daarmee doet. Daarom is het mogelijk dat het uiterlijk van zo'n Hazelaar, ik beschreef hem niet als een onaantrekkelij¬ke man, kan zijn blijven hangen en niet de handelingen. Als ik zelf zo rondloop dan zijn de dingen die me opvallen òf volkomen vreemd van wat ik ken, òf ze doen me ergens aan terugdenken en dan doet het er niet toe wat voor kaartje ik daaraan hang, maar iemand die dezelfde neus heeft als mijn vader en dezelfde manier van lopen zal altijd mijn oog vangen, altijd, ongeacht wat ik daar verder over denk. Dat heeft iets heel aandoenlijks."

Er is ook nog een verhaal 'De dwerg' waarin het fantastische niet tot werkelijkheid komt en een geestige schets 'Palingen en preken', over een zwakzinnige jongen die, door de nonnen tot razende vroomheid gebracht, probeert palingen tot het geloof te bekeren. Een visboer die bij het lappen van zijn ramen is gevallen komt in twee verhalen voor. En in die twee verhalen leeft ook een slager. Het maakt dit deel van het boek nog meer tot één geheel.
Het tweede deel behelst verhalen die niet zozeer een thema hebben. In 'Honingeiland' laat een keizerin iedereen het hoofd afslaan. In 'De Lotus' droomt een Nederlandse Japanner weg in gezelschap van een mooie jonge vrouw die een travestiet blijkt te zijn. Grove Nederlanders hebben hem met haar/hem in contact gebracht. In 'De operazangeres' ontmoeten we een oude man die gestoord is. In 'Blikman en Sartorius' gaat het over een hoogst masculiene jager en een preparateur van dode dieren. Het deel eindigt met het sprookje 'Poep'. Het is een verhaal met een hoogst originele inhoud. Een arme man maakt een omme¬tje en ziet een mooi huis. Een rijke vrouw, eigenares¬se van het huis, laat haar grote honden uit en maakt een praatje met de man. Ze zeggen tegen elkaar hoe mooi het hier is en zij roept hoe heerlijk haar huis is. Dat vindt de man ook. De vrouw zegt in een wrede opwelling dat hij het huis mag hebben als hij de twee enorme drollen van haar Deense doggen opeet. De man twijfelt niet lang, knielt en begint. Na één zit hij te kokhalzen van ellende. De vrouw wordt ineens bang en zegt dat zij er ook eentje voor haar rekening neemt als ze dan maar alles mag behouden. Ook zij wordt ellendig tijdens het eten en loopt met haar honden naar huis terug. Beiden zijn van de kaart en verbaasd over zichzelf hoe het zo ver heeft kunnen komen.

Hoe kom je er bij zó'n verhaal te schrijven.

"Ik ben eens toen ik twaalf jaar was tijdens een gezellige wandeling in Friesland met mijn moeder en zus tot kinhoogte in een beerput van koei¬enmest gezakt. Ik werd maar net gered. Wat ik me daarvan herinnerde was: het is toch te absurd voor woorden dat ik op 12 jarige leeftijd dood zou gaan in de koeienstront, ik kon het volstrekt niet serieus nemen want op die leeftijd stel je je eigen dood altijd als iets heroïsch voor. Het was zo'n contrast, dat banale en het verhevene. Het was niet direct de aanlei¬ding om zo'n verhaal te schrijven, dat niet. Maar het zoeken naar iets hogers en daarvoor door het banale heen te gaan, speelt in 'Poep' ook een rol. Honden¬poep is één van de smerigste dingen die ik ken. Je kunt hier in Utrecht nooit eens naar de lucht kijken want je bent ge¬dwongen de stoeptegels in de gaten te houden om te zorgen dat je niet ergens intrapt. Ik vond het leuk om van het smerigste wat ik ken een hedendaags sprookje te maken, echt een sproo-kje want anders is het niet verteerbaar. Als ik het hyperrealis¬tisch had geschreven had iedereen het in de hoek gekwakt."

Uphoff komt uit een kinderrijk gezin en leerde er observeren, interpreteren, maar ook: zich afsluiten om zich te kunnen concentreren op haar eigen gedachten. Ze schreef al jong allerlei gruwelversjes bijvoorbeeld en tekende daar ook bij. Alles wat er in het gezin voorviel absorbeerde ze als een spons en schreef er later een verhaal over.
Manon Uphoff kreeg rond haar vijftiende jaar anorexia en dat duurde wel een jaar of tien.

Je genas jezelf ervan.

"Uiteindelijk heb ik het weten te overwinnen omdat het geen goed deed aan mijn ambitie. Ik was te ambitieus om het slacht¬offer te zijn, het leverde me niet voldoende op. In mijn geval was het een vergissing te denken dat zo'n dwangmatige strijd met eten je iets oplevert. Het test weliswaar je wilskracht maar niet meer dan dat."

Je boek heeft een opvallende omslag: een hond die op een angstaanjagende manier zijn tanden laat zien.
"Ik was bang dat 'Begeerte' anders te hijgerig over zou komen. Maar ik deed het ook voor die mensen die aange¬trok¬ken worden door de spanning tussen titel en omslag. Om een selec¬tie te krijgen, want iemand die alleen maar geïnteresseerd is in erotische verhalen grijpt het boek waarschijnlijk niet."


Uphoff volgde de lerarenopleiding in Utrecht en studeerde algemene literatuurwetenschap aan de universiteit. Op haar 24ste werd ze moeder. De relatie met de vader van het kind liep stuk. Haar literair-wetenscahppelijke achtergrond heeft haar bij het schrijven noch gehinderd noch geholpen, vindt ze. "Het zijn afgesloten trajecten geweest." Nu heeft ze een baan als lerares Nederlands voor volwassenen. Haar boek 'Gemis' komt binnenkort uit. Ik las de voorpublicatie.

De personages uit 'Gemis', een vader, moeder en vier kinderen gaan verhuizen naar een nieuwbouwwijk en de opgroeiende kinde¬ren maken een proces door: ze worden volwassen en komen er volgens de schrijfster 'geleidelijk achter dat hun grote verlangen een illusie is'. Anders gezegd: zij ontdekken het (erotisch) menselijk tekort.

Het erotisch falen vormt de kern van je boek.

"Falen is misschien te zwaar. Waar het om gaat is dat een hele familie, het accent ligt echter op een meisje, min of meer stuk¬loopt tijdens een erotische zoektocht, al geldt dat niet voor alle¬maal even sterk. Centraal in 'Gemis' staat die eroti¬sche zoektocht."

Het grote verlangen is een desillusie.

"In het Westerse cultuurdenken, en daar ben ik ook door ge¬vormd, dien je in het proces naar volwassenheid verstandig te worden en te beseffen dat de grote liefde niet be¬staat, dat er een vacuüm is, een gemis, een gebrek aan. Volgens mij is dat nu juist het gemis. Niet dat er iets niet is, maar dat we dat met z'n allen hebben afgespro¬ken, dat die grote liefde niet bestaat. Het gaat om de ambiva¬lentie in jezelf: het hunkeren naar iets en tegelijkertijd meegetrokken worden door een omgeving en samenleving die heel hard roept dat die hunkering niet bestaat. Dat je op zoek bent naar iets wat er niet is. Een van de dingen die in het boek een rol spelen is dat de vaderfiguur in het verhaal zijn hele leven lang over een grote liefde spreekt en dat is dan zijn tweede vrouw, de moeder van het meisje, en die moeder weer¬spreekt dat haar hele leven.
Dus wat die man een ideaal huwe¬lijk noemt breekt zij af. Voor mijn gevoel is dat de cultuur in een notendop, aan de ene kant heb je, wat gekscherend wordt afgedaan als de treurige roman¬tici, en aan de andere kant heb je de neorealisten die daar boven lijken te staan. De botsing tussen die twee groepen vind ik heel interessant. Erg vind ik dat je ontdekt dat er niemand in je omgeving is die in dat grote verlangen gelooft.
Dat nivelleren is het ergste, het kan best zijn dat het er inderdaad niet is, maar daar is geen uitsluitsel over. Evenmin over of er wel of geen God bestaat. Voor wie die droom heeft is die waardevol en dan bedenk ik me wel eens dat de weer¬stand ertegen wel moet betekenen dat het voor cynici bedreigend is dat er desondanks toch een aantal van die rozewolkers blijven rondlopen.
In mijn eigen leven heb ik ook voortdurend die strijd tussen het harde realisme en het idealisme en op de een of andere manier heb ik dat nooit kunnen samenvoegen tot een mooi glad papje. Het is er voortdurend tussen heen en weer reizen."


Ellen de Jong