Stassaert, Lucienne - 2004



Als de haren recht gaan staan

Dichteres Lucienne Stassaert (Antwerpen, 36) debuteerde in 1964 met poëtisch proza, schreef diverse gedichtenbundels (onder andere Blind vuur, Tussen water en wind en Afscheidsliedjes), enkele romans als Parfait Amour en Karen. Ook toneelstukken waaronder De blauwe uniformen en Nacht in Ekely en hoorspelen (De mythe van Amherst, en De nachtwandelaar) staan op haar naam. Ze won literaire prijzen en oogstte veel bewondering met haar vertalingen van het werk van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath. Lucienne verzorgde een nawoord bij Plath's 'Mijn uren zijn met schaduw gehuwd', een selectie uit de Collected Poems (1981).
De bekendheid die Plath als prozaschrijfster verwierf, na de publicatie van haar roman The Bell Jar (1963), wekte na haar zelfmoord meteen een grote belangstelling voor haar poëtisch oeuvre. De lezer volgt haar evolutie vanaf The Colossus (1959), de enige dichtbundel die nog tijdens haar leven zou verschijnen, en de posthume bundels Ariel (1965), Crossing the Water (1971) en Winter Trees (1971). In dit uitvoerige nawoord, als ook in de aantekeningen bij de prachtig vertaalde gedichten, belicht Lucienne Stassaert de voornaamste motieven en gebeurtenissen in dit bewogen en tragisch leven.


Lucienne is omringd door katten. Twee liggen op een geblokte sprei die haar houten ledikant siert. Een zwerft elders rond. Zij heeft een bruinige fluwelen broek aan, zo zacht als de huid van haar katten en haar klassieke neus en scherpzinnig grijs-blauwe ogen spreken boekdelen. Haar kamer in centrum Antwerpen is warm en knus. Allerhande snuisterijen geven kleur. Gashaarden branden zoevend, hagel slaat fors tegen het raam.
We eten een pistoletje, drinken een tas koffie. Af en toe krijgt een poezenbeest een flard ham. Ze praat Antwerps met hem; zegt tegen mij:
"Ik ben een kattenzottin."

Poëzie Sylvia Plath

Waarom ging u Sylvia Plath vertalen?

"Ik ontdekte haar poëzie in begin jaren '80, voor die tijd had ik al wel 'De glazen stolp' gelezen, maar dat maakte niet veel indruk op me, in tegenstelling tot haar gedichten. Het eerste gedicht wat ik van haar las was al direct een openbaring voor me. Toch heeft het nog jaren geduurd eer ik het aandurfde haar poëzie te vertalen. Waarom ze me zo aansprak? Qua inhoud en thematiek – doodsobsessie, een wanhopige vaderbinding, thema's verwant aan de mijne – en de stijl van haar schrijven. Haar zegging, ritme en metafoorgebruik, dat specifieke wat maakt dat Plath Plath is. Ze heeft in haar allereerste bundel 'The 'Colossus' een cyclus van zeven gedichten 'Poem for her birthday' geschreven, waarin ze op een heel experimentele manier te werk gaat, veel experimenteler dan in alle andere gedichten tot op dat moment. Die cyclus heb ik ook vertaald (maar maakte geen deel uit van de publicatie) en dat was een moeilijke opgave, hoewel ik er veel binding mee had omdat ik zelf meteen heel experimenteel ben begonnen. Die periode heeft bij mij echter langer geduurd, pas langzamerhand is dat minder belangrijk geworden.

Voelt u zich vooral dichteres?

"Ja, dichten is voor mij het allerbelangrijkste. Mijn eerste publicatie 'De jonkvrouw met de spade' in '64, was experimenteel poëtisch proza, evenals het tweede werk dat was. Met thema's als doods- en waanzinobsessie. Er volgden er nog meer en ik dacht dat ik voor eens en altijd poëtisch proza zou blijven schrijven en geen geboren dichteres was. Maar ik ben er toch mee begonnen en publiceerde in '69 de dichtbundel 'Fossiel'. Daarin ging ik veel minder experimenteel tewerk, er was geen woordschurft, geen woekering van woorden meer en dat gold ook voor mijn proza. Het breekpunt met die periode is de verschijning van mijn briefroman 'Karen', die gebaseerd is op leven en werk van Edvard Munch. Het eerste deel is een lange brief van de tante die Munch opgevoed heeft, het tweede zijn antwoord. Ik kreeg een zeer lovende bespreking van criticus André Demedts, die dacht dat ik die brieven vertaald had - kennelijk klonk het historisch juist - en dat was een groot compliment voor mij. Ik ben toen voor onderzoek naar Noorwegen gegaan, las de negendelige biografie van Ibsen, omdat hij de generatie vóór Munch vertegenwoordigde, en ik weten wilde in wat voor soort leefklimaat hij terecht kwam toen hij geboren werd. In diezelfde tijd schreef ik een reeks gedichten 'Spokerij', met titels van Munch's schilderijen en een luisterspel 'Nacht in Ekely' (waar hij woonde)."


Lucienne is, na haar laatste roman 'De lichtvoetige Amazone' nu weer bezig met een nieuwe gedichtenbundel; het scheppen van poëzie blijft voor haar het mooiste. Wie leest zij zelf het liefste?
"Emily Dickinson is voor eens en voor altijd de belangrijkste dichteres voor mij. Als ik gevoelig ben voor een gedicht gaan de haren recht staan, dan heb ik minstens zo'n belevenis. Datzelfde zei Emily Dickinson trouwens ook.
Ik heb geprobeerd haar poëzie te vertalen maar zag er vanaf. Het is wel te doen, maar dan moet je ernaast vele versies hebben, omdat ze zo dubbelzinnig schrijft. Daar komt nog bij dat je in het Engels werkwoorden hebt die zoveel betekenissen hebben, waardoor die dubbelzinnigheid nog verhoogd wordt. En als je dat dan herleidt tot die ene betekenis in het Nederlands verlies je veel te veel. Sylvia Plath is soms heel moeilijk, maar in vergelijking met Emily Dickinson is ze stukken eenvoudiger. In mijn laatste bundel 'Afscheidsliedjes' staan onder meer verzen over het afscheid van de liefde, van de minnaar en wat losse gedichten 'De andere oever'. Ook wijd ik in die bundel een ode aan de kunstschilder Dan van Severen en een aan Sylvia Plath. Binnenkort komt haar dochter Frieda Hughes, schilderes en tevens dichteres, naar het poëziefestival in Antwerpen. Ook van haar heb ik een paar gedichten vertaald en die overhandig ik haar daar samen met mijn luisterspel (Brief in november, gebaseerd op de figuur van Sylvia Plath), maar dan in de Engelse vertaling. Frieda wordt natuurlijk altijd met haar moeder vergeleken en ook haar vader speelt een rol, het waren tenslotte twee genieën. Aan hun grip probeert ze zich te ontworstelen en ik denk dat ze erin zal slagen."


Lucienne zelf maakt als dichteres een vrijgevochten indruk en lijkt zich niet te conformeren aan bepaalde stromingen. In 'Afscheidsliedjes' trof me dan ook het onderstaande couplet uit een van haar liefdesgedichten:

Kom liefste, trek je nog
niet terug. Tast mij af
of ik opnieuw een vreemde ben
die je de weg vraagt naar vandaag-
Ik wil verdwijnen binnenin
een rauw lichaam klapwieken
als in een onderzeese grot.



Een momentopname uit het leven van Lucienne Stassaert.
Ze doet me uitgeleide: "als je nog eens naar Antwerpen komt, ben je welkom."
Haar wuivende hand is het laatste wat ik zie voor ik uit het zicht verdwijn.

Ellen de Jong