Pfeijffer, Ilja Leonard



Poëzie die werkt op de onderbuik


Tegenover het stadhuis in Leiden ligt café Burger Zaken, een toepasselijke naam. Daar ontmoet ik schrijver Ilja Leonard Pfeijffer(1968), die verre van burgerlijk is. Zijn ogen verscholen achter kleine, ronde brillenglazen zijn die van een wijsgeer, het donkere haar hangt licht golvend tot over zijn schouders, rond zijn mond is het speels gemodelleerd en een tintje lichter: het roken van shaggies heeft kennelijk zijn sporen nagelaten. Pfeijffers warme stem is die van een romantisch dichter: vibrerend, diep als de nacht, omfloerst maar verstaanbaar, hetgeen niet altijd van zijn poëzie gezegd wordt, maar daarover later. Behalve auteur is Pfeijffer als classicus werkzaam aan de Universiteit Leiden. Hij is gespecialiseerd in het werk van de klassieke dichter Pindarus en zijn grote held is Lucebert. In 1998 won Pfeijffer de C. Buddingh'-prijs voor zijn dichtbundel 'Van de vierkante man', die ook genomineerd was voor de VSB Poëzieprijs. Voor de Boekenweek 2000 stelde hij de bundel 'De Antieken: een korte literatuurgeschiedenis', samen. In 2001 verscheen de gedichtenbundel 'Het glimpen van de welkwiek' en in 2002 verschenen tegelijkertijd de debuutroman 'Rupert' - die hem de Anton Wachterprijs opleverde en de Seghers-Literatuurprijs Gerard Walschap Londerzeel - en de dichtbundel Dolores, de zijpanelen voor het vierluik De Steppoli tetralogie. In 2003 verscheen 'Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica'. Pfeijffer is tevens redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor en van het poëzietijdschrift Awater, poëzierecensent van NRC Handelsblad en samensteller van De spiegel van de nieuwe Nederlandse poëzie. Voor zijn gehele dichterlijke oeuvre ontving hij de Literatuurpreis Nordrhein Westfalen. Zijn boeken zijn uitgegeven bij De Arbeiderspers.

Wat Rupert en Dolores verbindt is de plaats van handeling, de fictieve stad Steppoli. Hoofdpersoon in het boek is Rupert, die zichzelf ook wel Rupert de Rukker, Rupert de Roekeloze of de Rampzalige noemt. Hij wordt beschuldigd van verkrachting en verdedigt zich tegenover een naamloos tribunaal en doet dat door in zijn herinnering door de stad te lopen waar hij met Mira, zijn grote liefde, leefde. De stadsplattegrond rangschikt de herinneringen die hem, impotente minnaar, Mira deed verliezen aan Benno, zijn potente vriend. Pfeijffer schrijft: 'Zij is de stad waarin ik ben verdwaald.' En: 'Wanneer ik wandel, zoals ik wandelde op de onderhavige dertiende april, blader ik door het logboek van mijn leven en lees ik, episodisch en onchronologisch, mijn eigen verhaal dat net als mijn huidige verslag de lijnen volgt van de stadsplattegrond.' Vrijwel aan het eind van het boek noteert Pfeiffer: 'Misschien zal er een journalist zijn die kort melding maakt van de hoofdrol die zij speelde in de verdedigingsrede van de aangeklaagde. Heel misschien zal zij dan de moeite nemen zich bij de griffie van dit tribunaal te vervoegen om de handelingen van deze zittingsdag op te vragen. Dan zal zij het protocol lezen van mijn betoog en zij zal het lezen zoals ik op de onderhavige dertiende april de stad heb gelezen en ze zal lezen dat ik in de stad niets anders las dan haar. Mira, ik schreeuw je naam met een stem die hoger klinkt dan een mensenoor kan horen. Lees mij en lees hoe ik verdwaal in de stad die jou herinnert en met al haar straten, pleinen, kerken, cafés, monumenten en standbeelden naar jou verlangt. Lees de stad en lees hoe de stad een geheugenplaats is van mijn verlangen naar jou. Lees dit en lees jezelf, want mijn enige verhaal ben jij. Het is de zon van jouw donkergroene ogen die de stad, mijn stappen en deze tocht door memorie die verlangen is leesbaar maakt. Ik kan niet aan zee zijn zonder jouw donkergroene ogen. Wees weer Mira, Mira, en vind mij terug.'

Het intrigeert je dat herinneringen gelieerd zijn aan de plattegrond van een stad.

"Dat is een van de belangrijkste ideeën die ten basis liggen aan het boek en het fascinerende is dat een stad een verhaal kan vertellen, een ruimte een narratieve structuur kan hebben. In Rupert valt zowel het verhaal als Mira samen met de stad, hij zoekt haar en loopt door haar lichaam alsof dat een stadsplattegrond is. Die verwevenheid vond ik interessant."

Met Rupert verscheen Dolores, Elegieën: uitbundige, in barokke taal verwoorde gedichten over grote liefde die als alle grote liefdes gekenmerkt wordt door wanhoop en mislukking. Ze vormen samen deel één en vier van een vierluik.

"Ik ben al bezig met deel twee en drie en dat worden beide romans, meer kan ik er niet over zeggen. Mijn werk aan de tetralogie heb ik echter even onderbroken omdat zich een idee aan me opdrong voor een nieuw boek en dat gaat 'Het grote baggerboek' heten. Opnieuw een roman dus."

Als dichter moet je gevaarlijk en complex durven schrijven, geldt dat ook voor het schrijven van een roman?

"Het is een ander soort complexiteit die je nastreeft. Als je een verhaal probeert te vertellen
met de stilistische dichtheid van poëzie wordt het wel moeilijk leesbaar, dat werkt niet zo goed. Als je proza schrijft moet je het fatsoen hebben een fatsoenlijk verhaal te vertellen op een manier dat de lezer meegesleept kan worden.Tegelijkertijd zoek je naar ingewikkeldheid en risico maar minder in de dichtheid van taal."


Rupert en ook Dolores zouden veel citaten van beroemde schrijvers herbergen. Vooral uit The Wasteland van T.S. Eliot. In een interview in Vrij Nederland (16-2-2002) werd gesuggereerd dat je dat deed om het de lezers niet te gemakkelijk te maken.

"Ik ga natuurlijk niet andere schrijvers citeren om het mijn lezers moeilijk te maken, ik ben geen sadist die ze wil kwellen, dat is nooit een doel op zich. Ik doe dat omdat het belangrijk is voor het verhaal, het heeft een literair doel en 't geeft wat extra's als je de citaten herkent, alhoewel je niet zoveel verliest als je ze er niet uithaalt. Een voorbeeld is het achttiende gedicht uit 'Dolores', dat is een soort remake van het achttiende sonnet van Shakespaere's 'Shall I compare thee to a summers day' en dat volgt precies dezelfde structuur, behalve dan de vergelijking met een zenuwgasaanval ('zal ik jou vergelijken met zenuwgasaanval op doordrekte loopgraven van mijn rillend wachten en uitgesteld sterven?'). De reden waarom ik zijn structuur volg is niet om het mijn lezers lastig te maken maar omdat ik denk dat als je dat sonnet in je hoofd hebt, er een contrast speelt tussen de zenuwgasaanval en the summers day, terwijl hetzelfde soort thematiek aan de orde is. En dan wordt het boeiend en daarom doe ik het."



Criticus Jeroen Vullings schreef: 'Pfeijffer voert de lezer in Rupert niet op de golven van het sentiment mee, maar uitzonderlijk genoeg op die van de kunst. Ook al is het woordkunst.'
In zijn ogen ben je een woordkunstenaar.

"Dat is uiteraard een compliment en ik accepteer woordkunstenaar als een geuzennaam. Uiteindelijk is het niet zo belangrijk waar het verhaal over gaat als het maar goed geformuleerd is en de lezer het diep doorleefde proeft."


In de Antieken: Een korte literatuurgeschiedenis, vertel je het verhaal van de klassieke literatuur van Homerus tot de val van Rome. En je promoveerde op de Griekse dichter Pindarus. Waarom hij?

"Voor een deel gaat dat toevallig, het heeft te maken met je studieprogramma en op welke manier je in aanraking komt met verschillende auteurs. Ik volgde toen een uitgebreid werkcollege over Pindarus en dat was direct een grondige kennismaking met zijn poëzie, die ik ogenblikkelijk fascinerend vond. Het lijkt op de poëzie die ik zelf probeer te schrijven. Het is erg experimenteel, complex, gewaagd en vol beelden en klanken."


Aan Pfeijffers promotor professor Sicking wijdde hij een gedicht in 'Het glimpen van de welkwiek'. Wat leerde hij vooral van hem?


"In het bijzonder een heroïsche zelfstandigheid. Ook al zijn er tweeduizend geleerden die het er volledig mee eens zijn dat het zo zit, hoeft dat niet te betekenen dat je er niet nog eens een keer opnieuw over zou kunnen nadenken. En het hoeft ook niet te betekenen dat ze daarmee automatisch gelijk hebben. Dat leerde ik vooral van hem."

De titel van de bundel is ontleend aan 'kijker', het openingsvers van de achttiendelige sonnettenreeks 'klinkers van k'.
Wat poëzie voor Pfeijffer is verwoordt hij in 'vuurvogel', een ruim tachtig regels tellend vers:
Poëzie is: geen 'poging tot pogen te prevelen', geen 'puistig provoceren op een popi podium', maar 'poëzie is mens de dansende wereld dromen en pijnlijk leven zingen/
in de taal van mensen/ poëzie is mens'.

Recensent Arie van de Berg noemt Pfeijffers bundel 'een toonzaal van poëticaal tafelzilver'.

"Hoe de taal klinkt en zingt valt voor een deel samen met de betekenis. Maar het gaat om de manier waarop je het formuleert. Dat geldt ook voor de schilderkunst: je kan een stilleven met drie appels en een blauw schaaltje creëren en of dat een goed schilderij wordt of niet, ligt niet aan de attributen, maar volledig aan de manier waarop je het doet, al zie je tenslotte nog wel dat het om drie appels en een blauw schaaltje gaat."


In 2003 verscheen 'Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica'. Het bevat onder meer essays over 'De mythe van de verstaanbaarheid', vlijmscherpe stukken over Nederlandse grootheden als Faverey, Kopland en Nooteboom als ook historische essays over Sappho en Pindarus. De flaptekst meldt: 'In zijn caleidoscopische veelkleurigheid is dit boek te lezen als een samenhangend antwoord op wat nu eigenlijk goede poëzie is.'

Wat is naar jouw idee goede poëzie?

"Daar gaat het boek over, het is moeilijk om dat in een paar zinnen samen te vatten daar ik er ruim 300 pagina's aan gewijd heb om deze vraag te beantwoorden. Een paar kenmerken zal ik noemen. Wat ik goede, spannende poëzie vind is die poëzie die gevaarlijk is, in de zin van compromisloos. Die geen compromissen doet aan het begrip van een eventuele lezer. Poëzie die daardoor een profetische urgentie heeft en niet zozeer wil ontboezemen en stilleventjes schetsen van hoe schattig dat toch is: zo'n klein kindje in de kinderwagen. Maar poëzie die werkt op de onderbuik."


Ellen de Jong