Otten, Willem


Mijn fantasie gedijt bij beperking


Willem Jan Otten is op 25 september 2005 om 15.30 uur te gast bij SLEE. Vooraf een interview. In Scholen in de Kunst. Reserveren, tel. 033-4673473.

Dichter, schrijver, essayist en romancier Willem Jan Otten won in 1999 de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre. In datzelfde jaar bekeerde hij zich tot het katholieke geloof. Met de roman 'Specht en zoon' won hij de Libris Literatuurprijs 2005.

De ik-figuur in de roman is een maagdelijk schildersdoek, Zeer Dicht Geweven Vier Maal Universeel Geprepareerd, later een schilderij, dat vertelt wat zich afspeelt in het atelier waar het terechtkomt. Valéry Specht, een geduchte kunstverzamelaar, vraagt de schilder Felix Vincent, aangeduid als 'schepper', of hij zijn dode zoon Singer wil portretteren. 'Maak hem levend. Vergeet zijn dood.' De schilder schrikt ervan terug maar aanvaardt de opdracht, met alle dramatische gevolgen vandien.
Otten: ,,Op een gegeven moment wist ik dat - ik zoek altijd in mijn verhalen naar een bijzondere verteller - het dit keer een schildersdoek moest zijn. Het rare van mijn boeken is dat ik altijd een verteller nodig heb. Niet iedere schrijver heeft dat nodig, heel veel schrijvers zijn een soort alziend oog waarmee ze alle gedachten van alle personages kunnen raden als het ware. Dat kan ik niet en daar geloof ik ook niet in, waar haal ik dat vandaan, ik ben God niet. Dus mijn verteller is altijd iets of iemand die als enige het verhaal meemaakt. In dit boek zocht ik naar de schilder die een dood kind moet schilderen en daardoor in een crisis komt."

In 2004 vond de opvoering van Ottens toneelstuk 'Braambos' plaats:
,,Het bijzondere van het stuk en het boek is dat ze zich alletwee zich in dezelfde ruimte afspelen. Er is een huis ergens aan het Randmeer dat ik niet eens ken, maar waar ik vaak langs fiets. Je komt uit het bos aan het water en precies daar waar het pad opengaat en je het meer ziet, een ongelooflijk mooie plek, is links daarvan een hoge haag. Daarachter verschuilt zich een huis. Ik heb me vaak voorgesteld hoe het zou zijn om daar te wonen en dacht me een soort atelierachtige ruimte in die uitkomt op het water en in de winter op ijs. En toen ik 'Braambos' schreef dacht ik, waarom zou ik voor m'n roman, waar ik ook al een tijdje mee bezig was, een andere ruimte kiezen, want ik houd zo van deze locatie. Een uitzonderlijke plek voor Nederland. Bovendien hebben de twee verhalen veel met elkaar te maken, ze gaan beide over een beeldend kunstenaar en over een crisis die door het kijken, door het schilderen ontstaat. Ik ben natuurlijk erg toneelachtig, mijn fantasie werkt heel scenisch, ik heb een toneel nodig om mijn verhaal op te laten afspelen. Dus het toneel van Specht is het atelier en het doek is een camera, een die alles registreert wat er gebeurt, maar niet kan meemaken wat er niet in die ruimte plaats vindt, net zoals we in een zaal zitten en naar toneel kijken, kunnen we alleen meemaken wat er op toneel gebeurt. Dat is voor mij prettig, als mijn fantasie gedijt bij beperking."

Ellen de Jong