Oerlemans, J.W. (1992)



Uit 'De maan passeren in gewichtloze kano's' (1992), Lydia:

Afspraak

Ik verwacht je tegen de avond
als de libellen slapen
als de maan zich verwijdert
van de aarde

dan zal ik er zijn
in mijn glanzende uitmonstering
en ik zal je strelen
tot de dood
voor altijd
geweken is.

In 1962 debuteerde de dichter - historicus J.W. Oerlemans met de bundel 'De verte tussen ons in'. In 1976 verscheen 'In de
neerslachtige polder en elders' en in 1977 'Aflandig'.
En nu in 1992 is er opnieuw werk van hem - weer twee bundels, die
samen met al eerder verschenen werk in 'De gedichten van nu en vroeger' (uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam) een compleet oeuvre vormen.
Het boek begint met twee niet eerder gepubliceerde
bundels 'De maan passeren in gewichtloze kano's' en 'Een zeer lichte regen uit de eeuw van Duparc' en werkt dan terug naar dat debuut uit 1962.

Zijn romantische huis ligt weggestopt in een ongecultiveerde tuin. Er is licht, veel licht in zijn kamer als ik met hem spreek.

U schrijft meestal korte gedichten. Hanteert u bij voorkeur die beknopte vorm?
"Ja, omdat ik streef naar een zo hoog mogelijke graad van intensiteit. Er moet in iedere regel en liefst in de meeste woorden ook nog, een geladenheid zitten, een spanning. Als je langere gedichten maakt verslap je eerder. Met korte gedichten kan het natuurlijk ook wel mislukken. Het is geen
recept: maak het kort, het komt in orde.
Emotioneel moet het gedicht een compactheid krijgen. Ook op mijn
eigen vakgebied wil ik zo veel mogelijk belangwekkends kwijt in één zin en op één bladzijde. Het moet geen praatverhaal worden. In de poëzie wordt die compactheid opgevoerd.
Er zijn maar weinigen die zich toeleggen op de kortheid van hun gedichten. Dichters als Gerrit Achterberg en Pierre Kemp deden het wel. Onze vriend Jan Eijkelboom schrijft langer en uitvoeriger, in de eerste regels geeft hij een poëtische informatie en de poëtische kracht is er vaak pas in de laatste
regels, ook dat levert overigens veelal bijzondere gedichten op. Maar ik wil die poëtische lading in alle regels. Al kan ik niet beweren dat me dat altijd lukt."

Wat zijn uw hoofdthema's ?
"Vergankelijkheid en dus ook onvergankelijkheid. Dat contrast tussen menselijk leven dat vergankelijk is en de onvergankelijkheid van de dingen, zoals oeroude aardlagen, licht en water, daar schrijf ik over.
Zo ben ik gefascineerd door berglandschappen wat je wel opgevallen zal zijn in mijn gedichten."

Helder en indringend peilde hij me (hopelijk was het niet aan me voorbij gegaan). Stak een sigaar op.

"Een ander thema is de liefde met al haar complicaties. Eigenlijk alles wat met het menselijke lot te maken heeft. Als ik het over natuur heb, dan wel natuur in haar oervormen. Geen kweekproducten. Ik zou altijd over een wild zwijn schrijven, niet over een varken!"

Vanwaar uw hang naar woorden als dun en doorzichtig, in uw
gedicht 'woorden':

Ik hou van woorden als leeg en
minder en dun en doorzichtig
en ik weet ook nog waarom.

"Dat heeft te maken met die hang om me bezig te houden met problemen die vrijwel niet oplosbaar zijn. Maar die dan toch in een heldere taal te formuleren. Waterachtig helder. Dat vreemde levensmysterie moet je helder brengen. Mijn streven naar compactheid en intensiteit hangt daar natuurlijk mee samen. Aan de universiteit vinden ze de combinatie van professor en dichter soms vreemd. Want een historicus moet ontmaskeren, een analytische geest hebben. Terwijl je je als dichter concentreert op emotionaliteit en in een mythische sfeer werkt. Dat valt niet te rijmen. Voor mijzelf is het niet moeilijk dat te combineren. Er is zelfs een soort overeenkomst: Als historicus interesseer ik me voor mensen die vanuit een nihilistisch standpunt tot nieuwe al of niet zinrijke ideeën zijn gekomen.
Mijn gedichten gaan ook in zekere mate van een nihilistisch vertrekpunt uit en trachten dat soms te overwinnen."

Is een gevoel van vrijheid voorwaarde om als dichter productief te zijn?
"Het lijkt mij één van de belangrijkste voorwaarden. Ikzelf voel me nu wat vrijer omdat ik niet meer in de eerste plaats historicus hoef te zijn (ik geef nog wel hoorcolleges in Rotterdam). Ik voel me niet meer zo uitsluitend gebonden aan de wetenschap dan tot nu toe het geval was. Het zou best kunnen dat die vrijheid mijn activiteiten als dichter doet toenemen. Maar dat moet nog blijken. Ik heb ook nog wetenschappelijke publicaties op mijn programma."

Zijn blik zwierf de tuin in, licht en doorzichtig.

"Het gekke is dat er meer dan vroeger bewonderaars van mijn gedichten opdoemen. Raadselachtig, want er werd voorheen geen ophef van mijn gedichten gemaakt. Ik denk dat dat komt omdat ik nergens bij hoorde, niet bij de Zestigers of bij Barbarber. Ik heb nooit iets gedaan in de richting van de poëtische stijl die korter of langer in de mode was. Ik ben een beetje eigenzinnig mijn gang gegaan."

Waarom krijgt u nu die aandacht in ruime mate?
"Poëzie heeft mijns inziens zoveel modes en stijlen geprobeerd dat men nu terug wil naar een eenvoud die ook nog authentiek is."

Kiest u de romantische dichtvorm uit een verzet tegen de realiteit die hard is?
"We weten dat we dood moeten en dat er nog meer verschrikkingen tot het bestaan behoren. Iemand die zich daar van bewust is heeft de neiging tot verzet, tot illusies, zoals ik dat bijvoorbeeld onder woorden heb gebracht in de volgende regels:

Schrijven tegen de dood in
vliegers oplaten voor later
foto's maken van dierbare gezichten
de maan passeren
in gewichtloze kano's

waar ben je meisje
het fluitconcert
is bijna voorbij.

Ik ben niet de enige die zich niet bij de vaak gruwelijke werkelijkheid wil neerleggen. Wat ik schrijf is mijn vorm van verzet. Als het goed is, maakt poëzie iets minder troosteloos. Wat je romantisch kunt noemen als je wilt. Maar de echte Romantiek had meer noten op zijn zang."


Ellen de Jong - de Wilde