Nolens, Leonard (1995)

Poëziekring Eemland ontvangt dichter Leonard Nolens

Ik heb mijn nest gemaakt in de taal

De Vlaamse dichter Leonard Nolens leest voor uit zijn werk op uitnodi¬ging van Poëziekring Eemland. Op vrijdag 28 mei 1993 in de kleine zaal van Theater De Lieve Vrouw. Aanvang: 20.30 uur. Toegang: Fl 6,50. Reserveren bij de kassa of tel. 61 88 65.

Leonard Nolens (Bree, 1947) gaf in 1986 zijn dichtbundels in Nederland uit. Hij bouwde in hoog tempo een oeuvre op dat klonk als een klok. Waardering liet niet lang op zich wachten: zijn bundel 'Liefdes verklaringen' (1990) werd bekroond met de Jan Campertprijs 1991.

Op verzoek van zijn uitgever (Querido) bracht Nolens vierhonderd gedichten uit de periode 1975 - 1990 bijeen in de bundel: 'Hart tegen Hart' (1991). In zijn verantwoording achterin de bundel zegt Nolens: "In dit boek staat alles wat ik goed vind. De eerste twee bundels 'Orpheushan¬den' (1969) en 'De muzeale minnaar' (1973) vormen het kluwen dat in de latere bundels waaronder: 'Twee vormen van zwijgen' (1975) 'Incantatie' (1977), 'Alle tijd van de wereld' (1979), 'Vertigo' (1983), 'Geboortebewijs' (1988) en 'Liefdes verklaringen' (1990), wordt afgewikkeld."

Nolens woont in de stad (sinds kort in Berchem bij Antwerpen) en gaat elke morgen met de bus naar Edegem om in zijn boshut geconcentreerd aan zijn gedichten te kunnen werken.

Aan zijn bruine tafel met stapels boeken was nog een plekje vrij voor de theepot en voor mijn schrijfblok.

-Heeft u de stilte van de natuur nodig om te schrijven?

"Ik ga hier iedere morgen naar toe. Om te vertalen en daarna poëzie te schrijven, of omgekeerd. Die structuur heb ik nodig. Voor de natuur ga ik niet in de eerste plaats uit mijn huis. Je kan als je 's morgens weggaat gemakkelijker afstand nemen van de dagelijkse sores; ik ben hier anoniem en niemand kan me hier bereiken. Ik heb een aantal uren per dag die afzonde-ring nodig om de droom naar boven te halen: te kunnen dagdromen. Het is voor schilders doodgewoon om een atelier elders te hebben, voor schrijvers vinden veel mensen het iets bijzonders."

-Poëzie is voor u bittere noodzaak, omdat het de enige vorm van bestaan is. Zoals u schrijft 'door, met en in mijn gedichten heb ik tot nu toe kunnen bestaan'.

"Ik kan geen onderscheid maken tussen leven en schrijven. Schrijven is leven en leven is schrijven. Als ik aan deze tafel zit te schrijven leef ik. Leven is voor mij leven máken; ik geef het al schrijvend vorm. Ik moet 's avonds het gevoel hebben dat ik iets gemaakt heb, zoals een ander een huis bouwt of een straat aanlegt. Als je bewust leeft, laat je het leven niet alleen over je heen komen, je construeert, bouwt iets. Ik maak poëzie."

-Wat betekent die poëtische taal vol paradoxen voor u?

"Een taal van intimiteit. Ik vind dat ik zo aandachtig mogelijk moet luisteren naar de omgangstaal. Zoals een schilder de natuur imiteert en daar bedoel ik niet mee dat hij een zonnebloem perfect naschildert, maar dat hij werkt zoals de natuur werkt. Zo probeer ik met een muzikaal oor te achterhalen hoe de taal met ritmes en metrums in elkaar zit. En dat probleem in je teksten te laten doorklinken: de muziek van de omgangstaal. Dat vind ik nu tenminste. Het kan veranderen. Wat je schrijft kan elke dag anders zijn. Het is nooit hetzelfde. Je kunt alleen maar consequent zijn in het niet consequent zijn. De ellende van een interview (Dank u !) is dat je vastgespijkerd wordt op een aantal uitspraken die morgen anders zijn. Terwijl je open wilt blijven staan voor paradoxen. Die dubbelzinnigheid wil ik blijven bewaren, óók in dit gesprek (ik wil geen interviews, maar ik ben toch blij dat u er bent), anders krijg je een prentje van mij: zó is hij. Dat vind ik een verminking, dat soort eenvoud wil ik niet."

-Hoe heeft u de vorm gevonden, waarin u zich thuisvoelde?

"De vorm heeft mij gevonden. Niet andersom. Bovendien heeft de tijd z'n werk gedaan. Ik kan dat niet achterhalen. De taal gaat om met ons. Niet alleen wij met de taal. Dit kan ik zeggen: Naarmate ik ouder werd ben ik existentieel opener geworden. Dat heeft z'n weerslag in het schrijven gevonden: ik ben soberder gaan schrijven. Ik ging bijzondere dingen in een eenvoudige taal zeggen, maar wel een taal met een bepaalde complexiteit en met paradoxen. Als je jong bent wil je een unieke taal gebruiken. Hoe ouder je wordt, des te meer ontdek je dat je je het beste kunt uitdrukken in een taal die van iedereen is. (Ik kon eerst geen dagboek schrijven, wilde literair bezig zn. Later kon dat wel omdat ik met mezelf kon omgaan op een eenvoudige manier)."

-U speelt met voornaamwoorden 'ik' en 'jij'.

"Jij' is overheersend de ander. De ander die je tegemoet komt. Maar ook de ander in jezelf. Er komen veel stemmen in me naar boven. Kent u dat ook? Als je elke dag alleen bent zoals ik, gebeurt dat. Je hebt dat minder als je altijd met anderen omgaat. Zonder 'jij' zou ik niet kunnen schrijven. Ik moet iets of iemand kunnen aanschrijven. In mijn dagboek zeg ik, en daar sta ik nu nog achter: Er zijn twee soorten mensen, jij en ik. Het hele leven is een confrontatie tussen die twee."

- U schrijft: 'Laat elk gedicht een gesublimeerde vorm van haat worden. Of van liefde'.

"Ik toon de weg waarop ik leef. Elk gedicht is een liefdesgedicht. Voor je gaat schrijven moet er al liefde voor woorden zijn, dat impliceert liefde voor mensen, want de woorden zijn mensen. Een boek is ook een mens."

Nolens publiceerde in 1989 een dagboek: 1979 -1982, 'Stukken van men-sen'(Querido) waarin hij schrijft: 'Altijd word je opgejaagd door je onvoldaanheid, altijd word je gekweld door je onverklaarbare rusteloosheid, nergens ben je op je plaats dan in het boek, nergens anders ben je even thuis, een uur, een dag. En schrijver ben je enkel terwijl je schrijft.'
Zowel uit zijn dagboek als uit zijn gedichten blijkt Nolens een gekweld mens, die het moeilijk heeft: 'Leven is wennen aan het leven'.

-In 'Stukken van mensen' schrijft u: 'Het dagboek is de woord geworden incubatietijd van het gedicht. En: 'al mijn notities zijn mislukte gedich-ten'.

"In mijn notities ga ik net zo te werk als in mijn poëzie. Ook zij komen je aangevlogen, net zoals de eerste regels van gedichten. Je wilt eigenlijk altijd een gedicht schrijven, maar dat gaat niet. Dat verlangen is er wel altijd en vindt dan een vorm in die dagboeknotities. Het dagboek beschouw ik ook als een filosofische methode om m'n eigen leven ter discussie te stellen."

Nadenken over eigen lot
Als Nolens zijn dagboek begint te schrijven is het jaar 1979 bijna om. Nolens is dan 32 jaar, heeft vijf dichtbundels geschreven, waarvoor hij drie maal is bekroond. Hij noteert wat hem overdag bezighoudt. Het boek is gevuld met gedachten, invallen, opmerkingen over poëzie, maar vooral met sombere bewoordingen over zijn existentiële eenzaamheid en zijn even werkelijke behoefte aan contact.
'Stukken van mensen' werd opgevolgd door het onlangs verschenen
'Blijvend vertrek', dagboek 1983 - 1989. Het verslaat opnieuw het serieuze streven van de schrijver om een mens uit één stuk te worden: 'Ik slaag er niet in, denken en doen, schrijven en leven met elkaar in overeenstemming te brengen. Toch lijkt dat me het enige wat werkelijk telt: een mens worden uit één stuk'. En ook nu weer aantekeningen die betrekking hebben op de paradox die Nolens' bestaan tekent: hij moet zich afzonderen van het leven om er zodoende deel aan te hebben. Dat levert poëzie op, maar ook veel geworstel en getob. Aan het slot van het dagboek verschijnen de eerste tekenen van erkenning: hij komt op de Vlaamse televisie, krijgt prijzen en wordt gevraagd voor interviews. Het zijn de voorboden van de Jan Campert- prijs en de driejaarlijkse Staatsprijs voor poëzie, die hij vorig jaar voor zijn oeuvre ontving. Uit beide dagboeken blijkt hoe eerlijk en ontroerend Nolens kan schrijven. Ze geven een portret van een dichter die bereid is zichzelf op alle manieren te doorzien.

-Het motto van Leopold Flam voorin uw dagboeken: 'Nadenken over het eigen lot heeft geen ander doel dan een gemeenschap te vinden die een einde maakt aan de verbanning'. Kunt u dat toelichten?

"Aan die dagboeken heb ik het te danken dat u hier zit, dat is onze gemeenschap nu. Ik constateer op dit moment dat mijn woorden mensen gevonden hebben. U heeft erop geantwoord, door hier te zijn. Ik heb meer en meer het gevoel dat ik in een verband sta, dat ik niet meer van de wereld val. Ik heb mijn nest gemaakt in de taal. En de taal is altijd de ander. Dat is een besef dat groeit. Op het moment dat je woorden gebruikt en daarmee begint te werken, word je opgenomen in een gemeenschap, omdat woorden, die je in je grootste intimiteit uit, dezelfde woorden zijn die op straat liggen. Het komt hierop neer - Nolens keek me voor zijn doen streng aan: Als je schrijft eigen je je mensen toe (levenden en doden) en laat je jezelf opgaan in die ander. Het is een wederzijds doordringen. Een verlan-gen ook naar symbiose, een teruggaan naar de moeder, want taal is: de moedertaal.

Ellen de Jong-de Wilde

Zonder mij

Wat kan ik voor je doen, ik heb alleen maar woorden.
Met die muziek heb ik ons huis gebouwd, mijn leven
Vernield om toe te zien of dood de moeite waard is,
Of ik daar weg mee kan zonder te moeten sterven.

Wat kan ik voor je doen, ik moet toch van je blijven,
Ik heb je toch op mij genomen zonder je te nemen,
Zonder me te geven want ik ben alleen maar jij.
Ik ben alleen maar jij geweest om niet te moeten zijn.

Ik ben alleen maar jij geworden om niet ik te zijn.
Dat is een laffe liefde, Zoet, vergeef het mij.
Wat kan ik voor je doen, ik ben alleen maar woorden,
Wou je worden, wou ons worden zonder mij.

Krop

Ze staat bij het raam in de diepte
Te staren en wijst naar de mensen,
Ze zegt het alweer en alweer:
Het leven is niets, het is niets.

Hoor toch hoe flemend dat klinkt
Als ze fluistert en kreunt, met die wellust,
Het leven is niets, het is niets.

Het zwelt haar de mond uit, een lofzang
Op onze vergeefsheid, ze stelt me
De dood in een duidelijk daglicht,
Het leven is niets, het is niets.

En ik ga al, ik raap haar weer op
Uit die diepte en draag haar naar bed
En druk me weer tegen haar aan.

Ik ruk haar gezicht naar me toe
En lik en slik al haar tranen
Ik eet haar zo gulzig de krop
Uit de keel dat zij snikt diep in mij.