Morriën, Adriaan - 2

JE MOET JE MEESTERS OPETEN EN VERTEREN

De vrouw van Adriaan Morriën riep boven uit het raam toen ik aanbelde op Plantage Muidergracht 3hs:
'Adriaan is nog niet aangekleed, kom binnen en ga maar in zijn kamer zitten én sterkte met hem!'
De gordijnen zaten nog dicht, strepen licht kierden er doorheen.De kamer was één uitstalling van boeken, ze stonden zelfs hoog opgestapeld in de vensterbank: Verzameld werk van Slauer¬hoff, Kafka en poëzie van Gerrit Komrij en op zijn bureau lag de biografie van Achterberg.

Na enige tijd kwam hij binnen, 76 jaar oud, deed de gordijnen voorzichtig open zodat het volle licht op hem viel: Lange, grijze man met lichte ogen, gekleed in blauwe spijkerbroek en trui. Het eerste wat me bij hem opviel was de behoedzaamheid waarmee hij enige ruimte op zijn bureau maakte, zodat ik er mijn paperassen op kwijt kon. Terwijl hij thee ging zetten keek ik door het raam op een stil park met kale bomen, waar-tussen enkele verdwaalde vogels heen en weer fladderden.
- Ik heb 'Plantage Muidergracht' (1988) van U gelezen, een boek waarin herinneringen,invallen, autobiografische verhalen, reisbeschrijvingen en notities elkaar gedurig afwisselen. En een paar gedichtenbundels: 'Avond in een tuin' (1980) en 'Oogappel', een bundel amoureuze poëzie, waarvoor U in 1988 de Herman Gorterprijs kreeg.
Het boek over uw twee dochters 'Alissa en Adrienne' kon ik helaas niet te pakken krijgen.
"Hindert niet, hoewel ik juist op dat boek erg dol ben. Alissa en Adrienne waren toen zes en tien jaar. Nu dertig jaar later denk ik er over een vervolg hierop te schrijven.
Ze komen straks en gaan boven een kamer voor me opruimen, zodat ik mijn boeken kwijt kan."
- Ik wil graag over alles en nog wat met U praten en U niet vermoeien met vragen die U al zo vaak zijn gesteld.
"Ik vind alles goed, graag zelfs, anders moet ik bijvoorbeeld voor de zoveelste maal die historie met W.F.Hermans uit de doeken doen."
- Wat me opviel is dat U nergens over een broer of zuster praat, terwijl uw vader en vooral uw moeder vaak ter sprake komen.
"Ja, daar heeft U gelijk in, dat komt nog, daar wil ik zeker over schrijven. Ik heb een zuster, die twee jaar ouder is,haar geheugen reikt dus verder en aan haar vraag ik nogal eens: Hoe was dit en dat toch al weer in onze jeugd. Een jeugd doordrenkt van calvinisme waar ik twintig jaar later een postcalvinistisch syndroom van kreeg, zoals ik het zelf heb genoemd, een depressie dus.
Ik moest in mijn jeugd al niets van het geloof hebben, maar durfde het niet tegen mijn ouders te zeggen om hen niet te kwetsen. Hoewel ik van de verhalen van het Oude Testament èn van mijn moeders gezicht het meeste geleerd heb.
Ik aanbad mijn moeder en haatte toen ik een jongen was mijn vader - hèt klassieke voorbeeld van een Oedipuscomplex - en geloof nog dat amoureuze gevoelens of indrukken, waardoor ik ervaar dat mijn uiterlijk tegelijk mijn innerlijk is, hun oorsprong vinden in de misschien grotere gewaarwording in de armen en aan de borst van mijn moeder te liggen. Daar is alles uit opgebouwd: Uit die eerste ervaringen als baby.
Later toen ik afstand kon nemen en wijzer werd, leerde ik mijn vader waarderen. Dit inzicht kwam bij mij al vroeg, rondom mijn twintigste jaar, toen was ik ook van die wrok over het verleden af.
Dat heb ik op Hermans en Reve tegen: Door hun wijze van schrijven maken ze dat jongere lezers blijven mokken tegen ouders en gezag.
Ze komen er niet mee klaar en de jonge generatie lezers zegt dan: Zie je wel, die oude zakken, daar hoef je geen consideratie mee te hebben.
Mijn dochter Alissa - die toen zij twee jaar was al perfect Nederlands sprak - zei eens toen de loodgieter een kraan repareerde: Als ik groot ben eet ik jullie op (dat betekent:dan ben ik jullie kwijt, maar jullie zitten toch binnen in me) en trouw ik met de loodgieter! Je moet je meesters opeten, verteren, dan ben je echt vrij.
Het beste wat mijn vrouw en ik trouwens ooit gedaan hebben is twee dochters op de wereld brengen!"
Op dat moment kwamen ze binnen, mooie donkere vrouwen met fijne gezichtjes, om zijn kamer te ordenen. Zijn ogen werden lichter toen hij ze aan me voorstelde en even met hen praatte.
- Ik wil het nu graag over Chinese poëzie hebben, omdat U daar nogal van gecharmeerd bent.
"Ja, in de jaren `30 vertaalde Slauerhoff Chinese gedichten van Yoeng Po Tjo I en ik maakte daar kennis mee en werd gegrepen door de eenvoud, de universele waarde ervan, zonder het gebruik van te veel beelden.
Sappho bewonder ik eveneens, schitterend; daar komt haast geen beeldspraak in voor.
De tegenwoordige poëzie gaat vaak schuil achter duistere beelden. Poëzie moet ontroeren vind ik, ik moet me er verwant mee voelen."
- Leest U uw gedichten nog wel eens voor?
`"Ja,onder andere op De Nacht van de Poëzie in Amersfoort. Binnenkort ga ik in Velsen voor ouders en leerlingen van het gymnasium en in Den Haag in theater Branoul voorlezen.
Ik krijg geregeld uitnodigingen. Je moet het alleen niet te vaak doen."
- Welke plannen heeft U nog op literair gebied?
"Ik heb veel notities liggen en wil een tweede boek schrijven voor Privé-domein: Over schrijvers die ik gekend heb en die mijn vrienden waren: Hans Lodeizen, Jan Hanlo. Reflectief, maar vooral boeiend, ook over de naoorlogse literatuur in Duitsland, belichaamd in onder andere Böll en Grass die ik goed ken en waar ik nog kom.
Van 1949-1960 waren er jaarlijkse bijeenkomsten waar ik voor uitgenodigd werd en uit eigen werk voorlas. Geweldig was dat, ik maakte er vele vriendschappen. Gedichten zwerven er ook ergens rond en wie weet kan daar een bundel van komen."
- Daar ben ik benieuwd naar, omdat ik uw bundel 'Oogappel' en uw 'Verzamelde gedichten' - met fijne liefdes- en natuurlyrische verzen - zo goed vond. Vooral die gevoeligheid zoals in het gedicht:

Oogappel

Ik doe niets dan denken aan je oog.
Het is mijn dagtaak en mijn droom,
Mijn grote wijsheid, mijn liefste bezit:
Een appel van licht in een amandel van wit.

Het is grootheid in kleinheid, donker in licht,
Een rond kristal, een diamanten pit,
Een diepte die zichzelf verhoogt,
Uitspansel, wereldzee van je gezicht.

Ik kan het niet begrijpen met verstand.
Wel met mijn oogappel en oogwit,
Zoals een ster verstand heeft van het licht
En een groen dal begrip geeft van het land.

"Ik ben inderdaad gevoelig, krijg al tranen in mijn ogen als de poes met zijn vlooienband op het dak van de auto zit!"
Het was laat in de middag toen hij deze woorden zei, deze man die zo voorzichtig zijn woorden koos en wiens liefdesleven zo vaak bekritiseerd werd.
Hij liet me uit in de smalle gang temidden van dozen gevuld met boeken die zijn geliefde dochters voor hem zouden uitpakken en uitstallen in ruime kasten.

Ellen de Jong