Morriën, Adriaan

IK HERKAUW NOG STEEDS MIJN JEUGD


"Mijn 'Verzamelde gedichten' (400 bladzijden) komen begin mei 1993 bij Uitgeverij van Oorschot uit en Jan Louter gaat voor de NOS een film van mijn leven maken. Tevens komt in het najaar een tweede boek in de serie Privé-domein uit", vertelde Adriaan Morriën mij in Petit-café de Sluyswacht in de Joden¬breestraat, hartje Amsterdam.


Dichter, vertaler, schrijver en essayist Adriaan Morriën (IJmuiden, 1912) groeide op in een gereformeerd gezin. Zijn vader had een zeilmakerij. Op zijn moeder was Morriën speciaal gesteld. Op zijn twintigste jaar moest hij kuren in een sana¬torium omdat hij tuberculose had. Hij studeerde Frans, ver¬huisde naar Amsterdam, trouwde en kreeg twee dochters, Alissa en Adrienne.
Morriën werkte mee aan veel literaire tijdschriften en debu¬teerde met enkele gedichten in Elseviers Maandschrift. In 1962 ontving hij de Nijhoff-prijs voor zijn vertaalwerk en in 1988 de Herman Gorterprijs voor zijn gedichtenbundel 'Oogappel' (1988). Zijn literaire werk stond en staat nog steeds in het teken van zijn leven (zijn oeuvre omvat poëzie, verhalen, autobiografische geschriften, kritieken, essays, vertalingen en bloemlezingen).
Het voornaamste onderwerp waarover Morriën schrijft is zijn eigen leven. Al in zijn debuutbundel 'Hartslag' (1939) spelen bepaalde thema's een rol, die in zijn verdere werk blijven terugkeren:
de liefde, de vrouw ('ik vind de vrouw het mooiste dier op aarde'), de natuur, maar ook vergankelijkheid en angst voor de dood. Vanaf het begin ontbreekt elke metafysische of religieu¬ze inslag. Morriën karakteriseerde zichzelf eens als 'een theoloog van het lichamelijke', iemand die 'polemiseert met het geestelijke'. Na 'Verzamelde gedichten' (1961) kwam
Morr¬iën met 'Moeders en zonen' (1962) waarin nadrukkelijk de jeugd als thema naar voren komt. In 'Het gebruik van een wandspiegel' (1968) komen voor het eerst gedichten voor waarin Morriën bespiegelingen geeft over de dichtkunst en waarin hij blijk geeft van zijn aandacht voor taal en zijn voorliefde voor woordspelingen zoals in het gedicht:

Ars poetica.

De dichter kent geen geheimen
waarover hij iets weet te zeggen
dat niet een woordspeling is,
het tijdverdrijf van zijn regels.
In 'Avond in een tuin' (1980) spelen vooral vergankelijkheid en angst voor de dood een grote rol.

Naar aanleiding van 'Oogappel' waarin Morriën de amoureuze poëzie uit zijn gehele oeuvre heeft verzameld, stelde criticus T. van Deel vast dat Morriën in grote lijnen zichzelf trouw is gebleven en dat kenmerkend voor hem blijven: de rijmloze, vrije dynamische verzen met weinig beeldspraak. Een goed voorbeeld is:
Zweven

Het sneeuwde toen. Op je wimpers
nog geen kristallen. Maar in je haren
glinsterde het even geheimzinnig
als op de mouwen van mijn jas.

De dwarrelende lucht
bracht onze ogen in de war.
Toch zag ik dat ik van je hield
duidelijker dan toen wij nog niet zweefden.


Dezelfde thematiek die we in Morriën's poëzie aantreffen, vinden we globaal ook in zijn proza. Ook hierin speelt de erotiek een belangrijke rol en wordt de natuur boven de cul¬tuur gesteld. Morriën's verhalen, 'Een slordig mens' (1951) 'Mens en engel' (1964) zijn fantasierijk en humoristisch.
Vanaf de geboorte van zijn dochters begint zijn privéleven steeds duidelijker door te dringen in zijn proza 'Alissa en Adrienne' (1957), een verzameling schetsen over zijn twee dochters. En in 'Cryptogram' (1968) en 'Lasterpraat' (1975) beschrijft hij schrijvers uit zijn omgeving en gaat hij in op zijn persoonlijke leven, zijn angsten en dromen. In 'Plantage Muidergracht' (1988) komt hetzelfde beeld naar voren: herinne¬ringen, invallen, autobiografische verhalen, reisbeschrijvin¬gen en notities wisselen elkaar af. Bij Morriën gaan eigen bestaan en literatuur vloeiend in elkaar over. Een voorval op straat ontroert, amuseert of ergert hem op identieke wijze als bijvoorbeeld een eerste ontmoeting met een groot dichter. Hij is een gevoelig observator bij wie alle indrukken gefilterd worden door een natuurlijke zinnelijkheid.

In 1991 verscheen 'Het kalfje van de gnoe' bij van Oorschot, een boekje waarin de 'miniaturen' verzameld zijn die Morriën de laatste jaren op de Achterpagina van NRC/Handelsblad heeft gepubliceerd, aangevuld met enkele andere die hij vroeger heeft geschreven en nu ingrijpend heeft herzien.

-Meisjes, verliefdheden, heimwee naar je jeugd, gevoelens van weemoed over de tijdelijkheid van het leven, zijn thema's in je verhaaltjes, die eigenlijk de neerslag van een stemmingsmo¬ment zijn.

Wat is één van je vroegste jeugdherinneringen?

"Een heleboel zou ik willen zeggen. Ik herkauw nog steeds mijn jeugd. Er zijn zoveel momenten die onvergetelijk zijn. Maar wat me scherp voor de geest staat is dit: ik ben naar m'n grootmoeder vernoemd. Ik was haar oogappel. Toen ik naar de kleuterschool ging moest ik een eindje lopen. Zij vond dat te ver om alleen te doen. Ze regelde het zo dat twee meisjes me wegbrachten. Dat is mijn vroegste herinnering aan een vrouwe¬lijk wezen dat niet m'n moeder was. Ik herinner me dat het ene meisje een zacht manteltje aan had dat heerlijk voelde. Ik leunde kennelijk tegen haar aan met mijn wang. Zie haar lach nog.."
Dromerig keek Morriën naar de boten die in de gracht voorbij voeren.

"We hadden een innig gezin, met veel warmte. Mijn vader was streng en kon ook zo kijken, mijn moeder was zacht. Ik had toen ik klein was niet veel met m'n vader te maken. Alleen met m'n moeder en zusje. Ik speelde veel op straat met vriendjes. Dat was heel belangrijk voor me. Die verknochtheid en onder¬linge kameraadschap."

-Wat heb je vooral mee willen geven aan je dochters?

"Vooral gevoel voor vrijheid en zelfstandigheid. In die zin dat ze zich niet laten voorschrijven wat je moet doen, maar zelf keuzes maken. En dat ze zich niet laten opschepen met jouw voorschriften of onvervulde verlangens die zij waar moeten maken."

-Het miniatuurtje 'Laat naar bed en vroeg op' eindigt met:
'de rust van een man die een lang leven als een landschap overziet'. En in 'Nu en dan' schrijf je: 'Met een dromerige lichtzinnigheid ben ik door de decennia gegaan, heb ik alle leeftijdsgrenzen overschreden om zo oud te worden als ik nu ben.'
Wat gaat er door je heen als je 'dat landschap overziet'?

"Dan neem je alles waar. Ik kijk naar mijn leven zoals ik naar een landschap kijk. En herinner me veel omdat ik voortdurend overzie. Niet uit een gevoel van gemis. Ik denk dat ik veel beleefd en ervaren heb. Plezier en verdriet, dat wordt alletwee bezit van je en het zijn verrijkende ervaringen. Ten goede en ten kwade. Het is smartelijk dat je afscheid moet nemen van het leven. Daar wordt vaak de nadruk opgelegd als mensen oud zijn. Maar de dood is ook een bevrijding en een natuurlijk gegeven. Als je zo oud bent als ik is het onfat¬soenlijk je te beklagen dat je dood gaat. Je kunt het ook als iets positiefs beschouwen, de eindigheid van het leven (in plaats van de dood). Dan krijgt die eindigheid een andere betekenis in het leven. Maar zo denken we niet, omdat we door het Christendom met beklaging, straf en zonde zijn opgevoed. Het loon van de zonde is de dood en verdoemenis; dat zijn ziekmakende dingen.
Godsdienst is een gevaarlijke zaak, omdat elk geloof een waarheidspretentie inhoudt, die anderen die niet geloven bedreigt."

-In je bundel 'Avond in een tuin' komt in veel gedichten het thema van de naderende dood naar voren. En komt de nadruk sterk te liggen op angst en ook op onmacht. Hoe die te over¬winnen?

"Toen ik 62 jaar was kreeg ik angsten. Ik zag dat als een postcalvinistisch syndroom. Het kwam pas laat en heftig omdat ik graag vrolijk en blij leef; het kreeg eerder geen kans, denk ik. Met mijn verstand heb ik die fysieke fixaties, want dat waren het, overwonnen. Ik had dagelijks een aanval van paniek, met pijn in mijn hart, en na een tijd merk je dat je je die pijn verbeeldt. Dat je wel angstig bent maar dat het een andere oorzaak heeft. Je komt erachter dat je die ellende in je jeugd hebt opgelopen."

-Je ouders lazen regel¬matig voor uit de Bijbel. Je zegt dat dat taalge-bruik je gevormd heeft.

"Ja, de psalmen bijvoorbeeld zijn zeer dichterlijk. De taal van de Bijbel is rijk gestoffeerd en ik bewonder de precisie in beschrijving en de volheid van verbeelding. Voor bepaalde stemmingen is een bepaald taalgebruik en dat moet raak zijn. Als iemand je vraagt: zeg eens iets over je grote liefde, dan zeg je niet: ja, ach. Nee, dan pak je uit in treffende bewoor¬dingen."

-Welke eisen stel je in het algemeen aan poëzie en in het bijzonder aan je eigen gedichten?

"Een gedicht mag wel veel te raden geven, maar het hoeft niet. Ik vind dat een gedicht moet verrassen en ontroeren. De be¬heersing van het materiaal moet ik kunnen bewonderen evenals een bepaalde zangerigheid. De dichter W.H.Auden kan intelli¬gent gedichten schrijven over onderwerpen die tot aan de politiek reiken en over maatschappelijke-, historische- en culturele verschijnselen. Dat beheers ik niet. Ik benijd hem daar een beetje om."
-Welke ontwikkeling heeft je poëzie doorgemaakt?

"Ik denk dat het een kwestie van rijping is. Nu ik voor het eerst alle gedichten lees die ik heb geschreven - de drukproe¬ven van m'n 'Verzamelde gedichten' die in het najaar uitko¬men - zie ik dat het een wijdvertakt gebied is van thema's, die zich vaak herhalen in andere bewoordingen, en van stemmin¬gen en observaties. Dat omvatte ik pas toen ik ze achter elkaar las. Ik heb er 150 gedichten uitgelaten om streng te kiezen."

Hij glimlachte en streek met lange vingers door grijs, sluik haar.

-Je naam en je werk worden vaak in verband gebracht met ero¬tiek. Men noemt je zelfs een specialist op dit gebied.

"Ja, dat vind ik een beetje dwaas, hoewel het een belangrijk aandeel is in mijn poëzie, dat wel. Maar het overheerst niet. Erotiek is trouwens in alles. Je ziet in m'n 'Verzamelde gedichten' verzen over natuur, tijd, vergankelijkheid, herin¬nering en herhaling. Ook 'Verzen van een vader'. Erotiek is het eerste waar ze me mee pakken, terwijl het toch bij ieder-een een belangrijk thema is."

-In 1992 verscheen 'Een toegevoegd zintuig' (van Oorschot) dat gedichten bevat die je in hoofdzaak in de jaren '80 hebt ge¬schreven. Met voorin de bundel een motto van de Japanse pries¬ter en dichter Ikkyu: 'It is easy to enter the world of the Buddha, it is hard to enter the world of the devil'. Wil je dat toelichten?

"Het motto van Ikkyu heb ik ontleend aan Yasunari Kawabata, 'Japan, the Beautiful and Myself', de rede die de schrijver heeft uitgesproken bij de inontvangstneming van de Nobelprijs 1968. Ikkyu (1394-1481) was een Japanse priester en dichter die 'by eating fish and drinking spirits and having commerce with women, sought to go beyond the rules and prescriptions of the Zen of his days, to seek liberation from them'. Kawabata, die in 1972 is overleden, bezat de hier geciteerde tekst in het gekalligrafeerde handschrift van de dichter. Kawabata bewonder ik hogelijk. Die spreuk intrigeerde me; wat bedoelde hij daarmee? Ik denk dat hij wil zeggen dat het gemakkelijker is om je aan de geldende regels te conformeren, dan je eigen weg te volgen."

-In het gedicht 'Verkenning' uit 'Een toegevoegd zintuig' luiden de eerste regels:

Kerstmis was dat jaar uitzonderlijk zacht.
Wij maakten een lange strandwandeling, kusten elkaar
in de luwte, een toegevoegd zintuig.

"Dat toegevoegd zintuig is erotisch- in brede zin - bedoeld. Is niet speciaal te benoemen. Ik wil ermee zeggen: dat we nooit een mythische of extatische beleving kunnen hebben, als we niet van een toevoeging van de zintuiglijkheid uit kunnen gaan." Morriën keek me stralend aan.



Ellen de Jong