Michaelis, Hanny



Tegen de wind in

Dichteres Hanny Michaelis in Theater De Lieve Vrouw.

Poëziekring Eemland heeft vrijdag 26 maart 1993 de dichteres Hanny Michaelis uitgenodigd. In Theater De Lieve Vrouw te Amersfoort, om 20.30 uur. De avond zal ingeleid worden door voorzitter Jan Visser.
Reserveren aan de kassa van het Theater of telefonisch: 033 © 618865.

Hanny Michaelis (Amsterdam, 1922) werd uit joodse ouders geboren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden haar ouders vergast. Zij dook onder bij gereformeerde families. Na de oorlog werkte zij als redactrice bij het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Daarnaast vertaalde zij kinderboeken. In 1948 trouwde zij met Gerard Kornelis van het Reve, van wie zij een aantal jaren later scheidde.

Hanny Michaelis publiceerde in 1946 voor het eerst gedichten in het literaire tijdschrift Criterium. In 1989 maakte zij een keuze uit haar gebundelde en ongebundelde gedichten in 'Het onkruid van de twijfel'.
Deze bloemlezing laat, hoeveel ook weggelaten werd, de ontwikkeling in haar werk zien, vanaf het meest prille begin tot het eind. In het voorwoord schrijft Michaelis:

'Op driejarige leeftijd presenteerde ik me voor het het eerst als dichteres. Op een avond stak ik onder het eten onuitgenodigd een verward relaas af over iets dat ik die dag had gezien en van eminent belang achtte. Hier en daar waren zwakke tekenen in de richting van rijm en metrum te bespeuren. Het epos eindigde met de triomfantelijk uitgesproken woorden:
'En achter de deur/ stond een hele grote chauffeur.' Mijn ouders luisterden vol aandacht zonder me op te hemelen of uit te lachen. Toen ik zeven jaar was, zette ik me onder de indruk van sprookjes die mijn moeder me vroeger had voorgelezen, tot het schrijven van een ballade waarin de geijkte prinses in de geijkte toren opgesloten zat en op haar bevrijder wachtte. Erg ver kwam ik niet, want ik had moeite met het vinden van rijmwoorden. De regels 'Zij tuurde in de verte/ en zag slechts zeven herten' zouden nog vaak worden geciteerd wanneer ik glazig voor me uitstaarde om het antwoord op een mij onwelgevallige vraag te omzeilen.'

Hanny Michaelis debuteerde in 1949 met de bundel 'Klein voorspel', waarin te merken is dat zij Vasalis zeer bewonderde. Ze schreef toen nogal conventionele poëzie:
En mochten wij elkander nog ontmoeten
- men weet het nooit: de wereld is maar klein -
dan zullen wij elkaar als vreemden groeten,
en er zal niets meer te verraden zijn.

Deze bundel geeft het bewust- en volwassen worden weer van een vrouw tegen de achtergrond van de bezettingstijd, met verwijzingen naar de oorlog, maar met ingehouden emoties. In de laatste gedichten van de bundel moet de 'ik' noodgedwongen afscheid nemen van een geliefde. In de slotregels van de verzen komt meestal een breuk voor, waaruit de weemoed en het heimwee naar een onherroepelijk voorbije (kinder)tijd duidelijk worden. De gedichten in 'Water uit de rots' (1957) vormen variaties op het gemis van een geliefde en ging Michaelis over op het vrije vers. Het titelgedicht is als een scharnier in de bundel geplaatst. Eraan vooraf gaat een aantal gedichten dat een minder specifiek eenzaamheidsgevoel tot onderwerp heeft, erna volgt een reeks gedichten waarin getreurd wordt over de verloren geliefde. Alleen in de laatste strofe van het titelgedicht wordt de beklemming doorbroken:

Toen vielen traag en plechtig
de eerste regendruppels
en uit mijn ogen sprongen
plotseling de tranen, warm
en verlossend als het water
dat Mozes uit de rotsen sloeg.

Geliefde

In 'Tegen de wind in' (1962) staat de dood van de geliefde centraal, een onherroepelijkheid waar iedere hoop mee vervalt. Het samenzijn in het verleden is nu tot een onvervreemdbaar bezit geworden en in veel gedichten wordt dit verleden teruggeroepen en wordt er contact gezocht met de verloren beminde.

De toon van de bundel sluit nauw aan bij die van 'Water uit de rots'. Ook nu biedt het titelgedicht een positief uitzicht:
(...) De vogel
die tegen de wind in zingt,
wankelend op de valreep
van het licht.

Relativering van het verdriet overheerst in de bundel 'Onvoorzien'. Uit de meeste verzen blijkt hoe pijnlijk de herinnering aan betere tijden is, maar de distantie die Michaelis in deze bundel bereikt maakt de gedichten bijna opbeurend. In 1967 ontving zij voor deze bundel de Jan Campertprijs.
De lijn van 'Onvoorzien' wordt voortgezet in 'De rots van Gibraltar'(1969). Nieuw is hierin een aarzelend maatschappelijk engagement dat het meest geslaagd is als wereldgebeuren en persoonlijk lot in elkaar grijpen. Het conflict waarover veel van deze gedichten gaan, is dat tussen spontaniteit en bewustwording, kijken en reflectie op het kijken. Om zich staande te kunnen houden in deze wereld blijkt het noodzakelijk weg te kunnen vluchten 'naar een nieuw Utopia'. De gedichten in Michaelis' laatste bundel 'Wegdraven naar een nieuw Utopia' (1971) hebben weer een tragische ondertoon, maar zonder dat gebruik is gemaakt van zware of grote woorden. Nog meer aanvaarding van de buitenwereld in deze bundel dan in 'De rots van Gibraltar', doorbreekt de ik-gerichtheid van Michaelis' poëzie.
In het vroege werk leest men dus over eenzaamheid en verdriet 'als grondtoon van het bestaan', die altijd het gevolg zijn van een scheiding, veroorzaakt door dood of afwezigheid van een geliefde. Angst, ontgoocheling en het besef van eigen nietigheid worden in de laatste twee bundels door een wat cynischer houding gerelativeerd. Niet een ongelukkige liefde is dan nog het centrale thema, maar zoals criticus Aad Nuis het formuleerde: 'het ongelukkige leven, waarin men soms moeilijk zijn evenwicht kan bewaren als men beschikt over een gevoelig temperament en een ongenadig realiteitsbesef'.

Emotionele notities
Naarmate haar thema verschuift, wordt de vorm van haar poëzie soberder: 'met steeds minder woorden ongenaakbaar open' zegt Henk Romijn Meijer. Haar debuut bevat nog eindrijm, zelfs een aantal sonnetten. Haar latere gedichten zijn in vrije versvorm. Het typische Michaelis vers bestaat uit één heldere, onversierde volzin, door enjambementen in een aantal versregels verdeeld. Dat deze prozaïsche aanpak tot de prachtigste poëzie kan leiden heeft Michaelis ruimschoots bewezen.
De na 'Klein voorspel' titelloze gedichten zijn een soort emotionele notities, wars van rethoriek en het theatrale:

(...) als
er dan met alle geweld
spraak gemaakt moet worden,
dan liever kleinspraak.

staat in 'De rots van Gibraltar'.
'Meestal, als ik schrijf, is het gedicht, voor mijn gevoel al klaar', zegt Hanny Michaelis in een interview, 'maar dan krijg je de weerstand van het woord; ik streep veel woorden weg tot er een geraamte overblijft, eerder ben ik niet tevreden. Ik wil hoofdzaken van bijzaken onderscheiden: ik ben op het essentiële uit.'

Hanny Michaelis heeft geen constante stroom van gedichten gepubliceerd. Tussen haar debuut en tweede bundel ligt acht jaar. Naar eigen zeggen (1982) is die periode van literaire improductiviteit voor een groot deel het gevolg van haar huwelijk met een talentvol en succesvol schrijver. Ook onverwerkte en traumatiserende ervaringen tussen 1940 en 1945 hebben in dit verband een belangrijke rol gespeeld. Maar al heeft zij geen groot aantal gedichtenbundels geschreven, Hanny Michaelis behoort tot die zeldzame dichteressen die het vermogen hebben de fijnste schakeringen van een gevoel onder woorden te brengen.

Ellen de Jong - de Wilde

Een bloemlezing uit de gedichten van Hanny Michaelis
Uit de bundel 'Tegen de wind in'

Toen ik dacht
dat je was weggegaan
en mij zonder leeftocht
alleen had gelaten
in een verdroogde steppe, heb ik mij vergist.

Nu weet ik dat je mij
hebt uitgekozen
om je voorgoed te herbergen,
veilig besloten in
mijn duisternis.

Wanneer ik mij aandachtig
over mezelf heenbuig,
ontmoet ik je oogopslag
helder en diep als water
en je glimlach overrompelt mij
met de ernstige vreugde
van vroeger.

Dat is genoeg
voor een heel leven.

Uit de bundel 'Tegen de wind in'

Sinds je mij voor altijd
bent binnengegaan
ben ik tot de rand
van je vervuld.

Dwars door de rukwinden
van het verdriet
voel ik je onder mijn huid
bewegen, warm en goed
als vroeger
toen wij overnachtten
binnen de omheining van
elkanders armen.

Wat doet het er dan toe
dat de wereld leeg
en winters is geworden
nu mijn ogen
je nooit meer zullen zien
en ik mijn hoofd niet langer
in je schoot kan leggen?