Leusink, Jane (2003)


Dat je op het niveau van de taal kunt kijken naar je werk


Een jaar geleden bezocht ik de dichter C.O. Jellema in Leens, vlakbij Winsum. Mijn herinnering aan die inmiddels overleden dichter, die op onnavolgbare wijze het Groninger platteland poëtisch wist te verwoorden, is nog steeds levendig. Nu ik opnieuw het station van Winsum uitloop om er dichteres Jane Y. Leusink te ontmoeten, staat Jellema me weer helder voor de geest met zijn onsterfelijke regels: 'In stilte schrijf ik jou, gedicht, in stilte…'

Jane, die, zoals later bleek, mijn bewondering voor deze dichter deelt, wacht me op. Samen lopen we naar haar ruime huis aan de Stationsweg dat met veel raampjes gevat in een gele omlijsting, harmonieert met de omringende bomen in herfstkleur.
"Het is een monument, ontworpen in Amsterdamse School-stijl."
Ze is tenger, haar intelligente ogen staan levendig. In de keuken hangt een schilderij van Monika Jonkergauw: een stilleven met opgestapeld rijp fruit, afgetopt met een graanrand, een Balinees offer.
Jane is verbonden aan restaurant Schathoes Verhildersum in Leens en heeft een taaladviesbureau, dat gaf het boek 'Koken op het Hogeland' uit.
"Er staan recepten in, het beschrijft de verhalen erover en geeft de kookfilosofie weer. Samen met Dick Soek de chef-kok die vreselijk goed kan koken, en wat anderen, hebben we het boek samengesteld, waarbij ik verantwoordelijk was voor de tekst. Het werd beoordeeld als een van de Best Verzorgde Boeken 1999."

Op de tafel in de woonkamer prijkt een gestileerde bronzen vrouwenfiguur. "De maker is Emile Cornelis", zegt Jane en "het heet 'Exercise'."
Vrouw en beweging zijn één, de omhooggeheven benen vormen een vloeiende lijn met het gestrekte bovenlijf; het gezicht verdwijnt tussen de armen. We kijken er stil naar.
Jane werd geboren in Velp (1949), vader was militair, het gezin verhuisde om de vier jaar, "ik kon me nooit hechten", haar middelbare schooltijd bracht ze in Bussum door. Dit jaar debuteerde ze met de poëziebundel 'Mos en gladde paadjes', uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer, die bekroond werd met de C. Buddingh'-prijs 2003. Jane ontdekte de literatuur en poëzie toen ze een jaar of zestien was en dat was een openbaring voor haar. Heel stiekem schreef ze wat gedichten en bleef dat doen, al was het met vlagen omdat ze opgeslokt werd door haar gezin. Ze ging Nederlands en kunstgeschiedenis studeren, was actief als neerlandica bij het middelbaar onderwijs en de Open Universiteit.
"Op het moment dat ik ontdekte dat poëzie geschreven werd met woorden en niet met gevoelens, of ideeën, kon ik goede gedichten schrijven, ik voelde dat in mijn lijf, al zat het eerder wel in mijn hoofd. Dat was in 1996 en omstreeks die tijd publiceerde ik gedichten in onder meer Poëziekrant, Liter, Opspraak en Noachs Kat."

Mos en gladde paadjes komt als zin voor in het gedicht 'Tot zover':

Je kunt het niet verder bevragen, het zijn die rood
en groen gebloemde lichamen vol sussende woorden,
het zijn die vrouwen in hun keukens vol warm brood.

Ze hebben dikke bovenarmen,
Kuiltjes in hun ellebogen,
Harde, rode handen,

snoep en grote borsten voor het moegespeelde kind.
Hoeken zijn het waar je uit kunt rusten.
Om hen heen hangen mos en gladde paadjes

en de geur van zwartebessenstruiken.
Onder hun voeten kraakt oud hout.
Hoedsters zijn het van intense pijn, eigenlijk liefde,

waar de ziel in nood naartoe reist,
opdat de hang niet over je ogen groeit
en het grote troosten kan beginnen.



"Het gaat over die oermoeder en mos en gladde paadjes hebben ook iets viezigs, dat vond ik er goed bij passen, bij die moeder. En je kan over allebei behoorlijk je nek breken. Aan dat gedicht ligt een herinnering ten grondslag: in de moestuin van mijn grootouders lagen geen comfortabele steentjes op de paadjes, die bestonden gewoon uit platgestampte aarde en waren in de herfst spekglad en bedekt met een groenig waas van mos. En de geur van zwarte bessenstruiken noem ik in het gedicht, dat is zo'n speciale aardse geur en daar zat ik tussen als ik bessen moest plukken en vanwege die geur deed ik dat graag. Ik put uit iets wat ik heb meegemaakt, maar een gedicht gaat ergens anders over dan over je autobiografie, al kan je in gedichten aanleidingen uit je eigen leven aanwijzen, zonder dat ze de pointe ervan bepalen. Ze hebben er in feite niets mee te maken, het is gewoon een reservoir waar je uit put, qua beelden en zintuiglijke ervaringen. Toen ik het gedicht maakte dacht ik niet: die oermoeders hebben die geur en die paadjes bij zich. Dat is iets wat het gedicht zelf oproept. De woorden roepen nieuwe woorden op, je bent bezig in een soort woordveld en dat verbaasde me. Je werkt er hard aan en achteraf merk je, zonder dat je het van tevoren hebt bedacht, dat er allerlei dwarsverbanden op het niveau van klank, ritme, en metrum, in het gedicht zitten. Dus die hele verticaliteit ervan wordt opgeroepen door de woorden die je gebruikt en het feit dat je op zins- en woordniveau aan het werk bent en niet op dat van gevoelens of ideeën."

De bundel kent vier afdelingen 'De textuur van ritme en klank', 'Until the way began to descend on the west side' , 'Een kind is kwijt', en 'In de wildernis'.

Welke thema's hebben ze?

"Het heeft lang geduurd voor ik begreep waar mijn gedichten over gingen, vaak vroeg me af: waar schrijf ik nu eigenlijk over? Maar ik zei ook altijd, dat moet iemand anders maar bedenken. Op een gegeven moment dacht ik: ze gaan over het verlangen naar, nee, ze gaan over verlangen, zónder náár. En dat kan zich overal in uitdrukken."

Jane geeft enthousiast schrijftraining aan onder meer mensen in het bedrijfsleven, het geeft haar veel voldoening en ze wil graag dat ze, als ze door haar getraind zijn, schrijven het belangrijkste in de hele wereld vinden. Ze heeft ook veel teksten zelf geschreven of herschreven op allerlei gebied, en ze kijkt altijd naar mooie zinnen en verzamelt ze ook. Heeft ze daar wat aan bij het schrijven van poëzie?
"Het geeft me afstand tot het onderwerp en het helpt dus bij het schrijven van poëzie. Dat je op het niveau van de taal en niet alleen op dat van de inhoud kunt kijken naar je werk."


Jouw gedichten zijn niet direct toegankelijk. Hoe sta je daar tegenover?


"Ilja Leonard Pfeiffer zat in de jury van de Buddingh-prijs en hij heeft nogal wat tegen poëzie van vrouwen van een bepaalde leeftijd, dus ik ben ook daardoor trots dat ik 'm gewonnen heb, want er deden veel jonge jongens mee. Hij vond mijn gedichten spannend en daar ben ik het mee eens. Die vlot leesbare poëzie lees je een keer en dan weet je het. Voor mij moet een gedicht lezen een avontuur zijn en Pfeiffer vond dat avontuur kennelijk in mijn poëzie. Als ik zelf een moeilijk gedicht lees en dat doe ik elke dag vijf minuten, merk ik na zoveel keer vijf minuten dat het gedicht zich voor je ontvouwt. Het is meer mijn eigen leeservaring die ik projecteer op mijn gedichten. Ik hoop dat mensen ze zo lezen en niet ongeduldig worden en ze elke keer eventjes in zich om willen laten gaan en ze dan weer wegleggen. En na een tijdje merken dat het toch ergens over gaat en waar het over gaat mogen ze zelf invullen. Dat hoeft niet mijn betekenis te zijn, zo die er al in zou zitten."


Ellen de Jong